Met kleinvrouwelijke beweginkjes, vroegrijp in haar haat tegen een jongen, die aldoor vertroeteld werd, klom ze op een sport van haar stoel en griste alles uit zijn bereik, het brood, de boter, de kaas, de melk. En omdat hij zonder verzet met een dikke hanglip bleef toezien, verzon ze waarmee ze hem verder kon pijnigen.
‘Jouw moeder is lekker jouw vader gaan zoeken,’ praatte ze in ouwevroutjestoon. ‘En die komt lekker niet weerom, om nog es bij ons op het dak te klimmen, lekker-lekker-lekkerl’ Toen zei hij, in poging om zich te verdedigen: ‘Dat lieg je, dief!’
‘En toch komt hij niet weerom, lekker-lekker!’ hoonde het meisje haar broodkruimeltong, zover mogelijk uitstekend. Zo hoorde Koertje, die zich de lippen bebeet, en haast niets zag door de dikke waterlanders, die niet weg wilden blijven, voor het eerst van het lieve grote Geheim van de Dood.
54
Het werden voor het kind dagen, avonden, nachten van gestadige bevreemding.
Tegen de late namiddag kwam Kobus hem uit de kleine woonkamer van buurvrouw, waar hij met een stompje potlood de witte randen van zijn prenteboeken zat te bekrabbelen, en waar boosaardig Mientje hem telkens als moeder buiten een praatje maakte, de geniepigste dingen die ze maar kon bedenken, zei - tegen de late namiddag kwam Kobus hem afhalen.
Dat gaf een uitbundig plezier, en hij schaamde zich er later voor, dat hij zich als de kleinste dreumes had aangesteld door zijn armen om Ko’s nek heen te slaan, en hem waarachtig twee dikke zoenen van dankbaarheid te geven, maar al terwijl hij dat deed, voelde hij dat er iets raars was, want de jonge mijnwerker liep zonder hoed, zo maar met zijn nakende knikker, een knikker vol glanzende zweetpareltjes, en bij de onstuimige kussen van het kereltje, dat God zij geprezen nog niks wist, werden zijn ogen nog roder en dikker, en toen het mannetje met de blauwe ogen, zoals de grote Koert hem niet meer zou noemen, hem in het voortuintje waarschuwde, dat hij op een blad van de rabarberplant trap
237