haar man, die boven zo lag te snurken, of er een waakhond gromde.
De tafel was gedekt met een vettige krant, een aangesneden brood op het blad, een kliek boter zo van de kruidenier in het papier meegebracht, een half ons zoetemelkse, ook in papier, en een melkkoker vol zwarte kneuzingen van losgelaten emailleschilfers. Aan die tafel zat de vijandin met de jongenshaar-pieken en de ijzeren bril, en at. Ze had haar mond zo smerig volgestopt, dat ze nu, bij het ook verschrikt kijken naar de indringer met een knoedel brood tussen haar lippen bleef lodderen.
‘Dat is kleine Koert van hiernaast,’ stelde moeder buurvrouw nutteloos voor - of kinderen, die elkaar niet konden uitstaan, elkaar vergaten! - ‘Ik waarschouw je, Mientje, dat jij, as oudste en wijste, hem niet treitert terwijl ik zijn zussie ook haal, want anders krijg je links en rechts! Heb je begrepen? Nou?’
‘Jamoe-óe-óe,’ kreunde het brillespook, dat haast in de hoe langer hoe groter wordenden knoedel stikte.
Buurvrouw het ze alleen, bleef een heel poosje weg, omdat ze Magdaleentje een schone luier aan moest leggen, en omdat ze van de gelegenheid menselijkerwijs begrijpelijk meteen even moest profiteren om in de lege woning te neuzen. De twee vijandjes zaten over elkander - hij witjes, benepen, geslagen door de leegte om hem heen - zij, hem achter de grote brilleglazen, met rimpeltjes om haar neus van ik-mot-niks-van-je-hebben-mispunt, beloerend. Het blikken eind van de lepel had ze niet vergeten. Ook niet het uitschelden voor ‘brillespook met je varkesoren!’
Toen ze haar mond met de spoeling van veel melk leeg had gemetseld, bleef ze treuzelen voor ze hem opnieuw vol ging stoppen.
‘Jij mag hier niet eens in vader z’n stoel zitten, hinkepoot,’ zei ze vinnig, met de langs de korst half uitgegeten boterham in de roethand.
Hij antwoordde niet, zich bedwingend om niet bij dat schaap, dat kind met haar vierkante hersens en haar uitgerekte oren, te grienen.
‘En je krijg lekker niks van ons brood!’ viel ze feller uit. ‘Dat zou je wel willen: hier de boel op vreten! Dat is allemaal van mijn, putjesjongen met je kromme benen.’
236