vend naar bet ziekenhuis wordt gedragen. En je ken, goffer-geefme de zonde, die gekke vrouw niet alleen naar het hek laten trekken.’
‘Geeft niemendal meer,’ klaagde de jongste. ‘We bennen ze kwijt.’
Dan, omdat Toos als een zieke langs het hegje wegstruikelde, telkens weer een tastende hand uitstrekte voor ze een stap deed, schoot hij toe, stak zijn arm door de hare.
‘Wat een krimmenele ellende,’ zei de buurvrouw, op haar knieën liggend. Haar tenen en hielen staken haar kousen door. Als tante Toos het in gezonde doen gezien had, zouden er woorden gevallen zijn. Maar die kwakkelde als een gebrekkige door de heentroebelende mist, langs de struikjes en planten met de parelmoer glanzende dauwflonkers - en de anderen, die nog na bleven praten, hadden onder die omstandigheden glad maling aan doorgelopen hielen.
Koertje zat in het grote bed, toen buurvrouw in de schoenen van Tante Toos de trap opsjokte, en hem vriendelijk toeknikte. Met de op zijn jaardag gekregen mondharmonika, had hij zo hard en aanhoudend uitgehaald, en Magdaleentje had het zo mooi gevonden, had er zo haar keel bij uitgeschreeuwd, dat hij van het rumoer in de keukenuitbouw niets had gehoord.
Verschrikt door het zien van de vrouw, die hem gedreigd had, toen hij het brillespook met een lepel geraakt had, dook hij onder de sprei.
‘Wat voer je uit?’ zei de vrouw met haar liefste glimlach, het dek wegtrekkend en in de angstige kinderogen kijkend. ‘Ik zal je niet opvreten, grote, domme jongen.’
Nee, d&ér was hij niet bang voor. Nou ze voor het eerst dicht bij hem stond, en, begaan met de gebeurtenis, op haar moederlijkste manier met hem praatte, zag hij van dichtbij de anderhalve tand, waarover tante Toos zo in-smalend gesproken had.
Het was een flarden vrouwtje, dat een dozijn kinderen gehad had, waarvan nu nog enkel het spook met het kortgeknipt haar overgebleven was, en omdat ze in chagrijn van het leven, dat haar zo havende, ondergegaan was, leek ze een ru-ine, een verdord mensje, jong van lichaam, maar met een ouwelijk hoofd, tanig en met spinnewebrimpeltjes. Lachte ze, dan zag je eerst hóe lelijk ze was, en omdat ze de gewoonte
234