mee gestoken hebben. Het gaf een korte benauwde worste? ling. Het bloed droop van haar vingers, die zich om het roestige staal hadden gezogen, en Ko bewreef een wond aan de eigen hand.
‘De keuken uit en naar boven!’ zei hij, haar voor zich uit duwend, maar ze had het kleine portaal en de openstaanc * buitendeur voor zich, en eer hij haar terug kon houden, liep ze met een vaart het tuintje door, het angstig kluitje mensen voorbij, en holde aan een stuk door, de kolengruisweg over, of ze iemand achterna moest rennen.
De zon, die de nevel begon op te slurpen, deed de wasemende damp als wierook wiegelen, straalde er met brekende, geluwe stralen doorheen. Op de ruit van het daktuimel-raam zilverde, kookte het, maar de schoorsteenstomp ver-zwom nog in mistige karning.
‘Jessis - die is krankzinnig geworden,’ zei de buurvrouw, ‘moet je haar niet na, Ko?’
Met zijn om de wond gebonden zakdoek, kwam hij het hekje uit, keek het pad af. De walmende neveldampen omsloten de weg. Je zag niks van de hoge schoorstenen, niks van het wentelende schachtrad.
Toen duizelde Toos in de deuropening. Ze was zo suf, dat ze op haar kousen het tuintje doorstapte.
‘Blijf jij tenminste bij de kinderen,’ zei Kobus haar tegenhoudend.
‘Nee, toe nou, jongen, nee toe nou me ventje,’ praatte ze afwezig. ‘Dat mot je niet zeggen. Dat is gekkepraat. Dat ken niet wezen. Ik kom sebiet terug. Ik ga enkel maar kijken, enkel horen. Eet jij terwijl je boterhammen. Enne schenk je koffie zelf in. Ach, Moeder Maria, Moeder Maria... Ik ken niet. Ik ken niet vort. Waar bennen me schoenen. Heb iemand me schoenen gezien?’
‘Hier heb je de mijne,’ zei buurvrouw, die nog zo kort geleden vanuit het dakraam gekrakeeld had. ‘Ik zal me wel helpen. Ga jij met Ko mee. Ik haal de kinderen zolang bij mijn - ik let op de boel. Laat haar nou niet alleen sukkele, Ko,’ vervolgde ze, in het stof van de weg neerknielend om de riempjes om Toos’ dikke voeten te sjorren en zelf met haar kapotte kousen van onder haar rok: ‘Mier niet, Ko. Je ken toch niet van een moeder verlangen, dat ze met haar sloffen op een stoof blijft zitten wachten, of haar zoon dood of le
233