Droomkoninkje

Titel
Droomkoninkje

Jaar
1924

Druk
1983

Overig
9ed 1983

Pagina's
258



aan - ze tuimelde in reflexbeweging naar de huiskamer, waar de boterhammen op de borden waren klaargelegd, met voor het kleine kereltje een glas melk, en de fles met levertraan ema'ast, en dichtbij de stoel van de oudste zoon, op een kleine tafel, de geopende grammofoon, met de naald op de plaat, omdat Toos de jongens dikwijls met ‘muziek’ ontving, en naast het peper- en zoutstelletje de bruine tabakspot, als ze trek hadden in een extrapijp na zolang onder de grond te hebben gevast - ze verstarde een ogenblik van klaterende krankzinnigheid bij de krijsende, bitse, bijtende werkelijkheid, het gegrijns van wat in de kamer lichtte en blonk. Het waanzinnig deftig spalken der stoelleuningen, die naar haar toe schenen te schuifelen, het nee-maar-zö-gekke van de hiptrip-hiptrip dartelende sijs, die nu het gevangenisje van de vermoorde kanarie, hoog tegen de behangselwand aan, bewoonde. Dat alles flitste ondeelbaar kort aan haar voorbij - ze was de trap alweer op, bukte onder het bed, greep de riemschoenen, koortste de lipjes in de zich verwerende knopen, en haar voorschoot naast het kind op het bed smijtend, bonsde ze de trap af, en in bijna dierlijke verwoedheid, zich aan de knop bezerend, beukte ze de keukendeur voor de tweede maal open. Toos, bij gekomen, zat met het hoofd op de tafel te grienen. Kobus probeerde haar te laten drinken.

‘Vooruit nou, ellendelingen!’ schold moeder, over God en de wereld heen. ‘Wat zit je? Wat klets je? Wat kijk je! Sta op! Sta op! Sta op!’

Niet wetend wat ze deed, en waarom, en hoe ze ertoe kwam, schudde ze de vrouw met de zilveren haarslieren doldriftig heen en weer, tot Toos suffig verlamd over haar hele lichaam begon op te strompelen.

‘Wat wil je dan, Riek?’ zei Kobus, haar afsnauwend. ‘Je ben toch niet van plan met moeder...?’

‘Jullie zijn ellendelingen, el-len-de-lingen!’ verweet de jonge vrouw, stikkend in de knoerstige hij ging van haar longen. ‘Jullie laten iemand maar - jullie waarschouwen niet - jullie houwen je bek - jullie laten mijn boven bij de kinderen - jullie ellendelingen - jullie tuig...’

‘Ga niet zo tekeer - wat doe je daar mee?’ soebatte Toos. ‘Je ziet toch dat ik niet ken, dat de zenuwen me benen... Me arme Gerrit! Me stakker van een Gerrit! Moeder Maria,

231

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.