Nog voor ze de huiskamerdeur in haar bereik had, om de keuken binnen te gaan, wist ze. Ze dacht niet, ze vermoedde niet - ze wist. Ze had de andersklinkende stem van Ko-bus gehoord - de keukendeur was dicht - er hingen geen manspetten aan de kleine kapstok - er was geen geluid, geen klank, geen opleving, geen aanvoeling van de teruggekeerde mannen, ook al hadden ze geen woord gesproken -en in de traagdoorzilverde nevel buiten achter het hekje, met de dauwdruppels dragende rabarberplant en de reuze-zonnebloem met zijn bruine kuif in de uitstraling van de dof-gouden vlerken, rumoerde het ingehouden praten van mijnwerkers en buren, die het gangetje met zijn cocosloper stonden te beleutelen, wachtend op Ko, die dadelijk terug moest komen. De koempel met het ene oog, met Cees in huilerige blijdschap tegen hem op; de fletse Duitser, die glasblazer geweest was, en toen zijn longen het af begonnen te leggen, ins Loch was gekropen; de buurvrouwmoeder van het bril-lespook, die gisteren zo wild tekeer was gegaan, omdat de electriciën door haar dakraam had gekeken, toen hij de isolator wilde bevestigen; het brillespook zelf met een wijdopen, volle, luisterende mond, en de kameraden, die mee op waren gelopen, zonder zelfs hun eigen vrouwen te waarschuwen, dat ze weer in het ‘daglicht’ waren, klitten samen, en om de angstig-gedrongen hoofden, de verwarde haarkoppen, de ingegroeide zorgogen, hing iets troebels, vaals, verwelkts, of ze in de, de huisjes omwaduwende nevel, in een schemer-poort scholen.
Toen gebeurde een doen van bevreemdende hartstochtelijkheid. De deemoedige jonge vrouw, die anderen nodig had, die bij kleinere opwinding in duizeling neer was geslagen, die zich houdingloos tegen de kalkmuur op had gewrongen, toen de rijksveldwachter aan had gescheld, en door Toos het huis was uitgejaagd, om haar man bij de politie te gaan zoeken - die als een stuk ballast door Koert de trap op was gedragen, en zich door de oudere zuster als een willoos ding liet leiden en afblaffen - dat tengere mens, dat bij de minste tegenstand, met ogen vol tranen aarzelde, en telkens weer als een wrak heen en weer werd gedreven — zwiepte zich op tot een furie. Ze rukte de keukendeur, die Ko bij de knop wilde dichthouden open, vroeg niet, praatte niet, huilde niet - ze keek Ko met gemartelde ogen van strakwijde pupillen
230