‘O, zo?’ herhaalde Kobus, ook de ander de les lezend. ‘Er is niks te o-zo-en! En zeker niet door jou! Je valt me tegen, Koert! Wat dun! Je mot je poten niet opheffen tegen de zoon van je vrouw d*r zuster. As ik dat nou ook ging doen, zou ik de zoon van mijn moeder d’r zuster in zijn nek maggen nemen. Dun! As je wist dat Gerrit sterker as jij was, zou je niet met de potenuitstekerij beginnen, en as je weet dat je de sterkste ben, ben je geen knip voor je lange neus waard. Nou, - afgelopen: zo geeft mekaar de rechterhand...’
‘Ik verdom het,’ zei Blauwbaard kleintjes.
‘Ik denk er niet an,’ praatte Koert stug na.
‘Dan niet,’ zei Kobus. ‘Je mot maar onwijs blijven doen. Ik ken me broer, Koert - hij meent er geen snars van. Ik wed er een weekloon om, dat as jullie twee een kwartier bij mekaar door de politie worden opgesloten, je de dikste vrinden van de wereld wordt. Je heb allebei pleinvrees om mekaar een verstandig woord te zeggen. Dat is de sjooze.’
‘Ik heb er geen kwaad mee voor,’ begon Blauwbaard zich te verdeemoedigen, ‘as ik dat kind de gebojen leer.’
‘Daar heb ik jou niet voor angenomen,’ snauwde de vader, maar toch ingetogener.
‘Is dat gedaan!’ dreigde Ko. ‘We praten over wat anders. De maan kijkt jullie met zijn slaperige ogen an, of hij wil weten wie van jullie twee de grootste idioot is.’
Ze Hepen weer zwijgend en keken onwillekeurig naar de vreemde vreugde boven hun hoofden. In de troebelblauwe lucht met de purperen dauwaanslag van de zon, die haar fulpen toorts achter zwarte struikjes begroef, lichtte de nog machteloze maan door. Ze stond verkild bleek boven een rose randing, of de brand boven het ragwerk in de diepte, tegen haar peinzing weerkaatste. En omdat ze zo rond en zo flets was, en zo heel anders leek dan gewoonlijk, ging er iets starends en angstigs van haar uit.
‘Als de mijndirectie haar ziet,’ zei Kobus tussen de zwijgenis der twee vijanden in, ‘zal ze denken dat een van de nachtploeg zijn controlepenning op het verkeerde bord in heb geleverd.’
‘Gekke kerel,’ praatte Koert tante Toos na - en, waarachtig, het leek er iets op - als je goed keek, kon je je verbeelden dat de reuzepenning in de lucht een nummer droeg. Toen ze na de verkleding in de kooi naar beneden zakten,
227