Blauwbaard, met de schouders hoog opgetrokken, en het deukhoedje met het veertje, dicht om zijn zwarte haar -beneden noemden ze hem Rinaldini - vatte vlam.
‘Was dan met je benen languit op een stoel in Amsterdam blijven uitblazen. Niemand heb je gedwongen hier te kommen!’ zei hij met de wrokkende gezelligheid, die het hem met zowat iedereen aan de stok deed krijgen, behalve met zijn broer, die hem beter dan iemand kende, en die drommels goed wist, dat Gerrit zijn innerlijke schuwheid achter een luidruchtig soort van zich afbijten verborg. Gerrit-Blauwbaard behoorde tot de mensen, die, nerveus en trouwhartig, hevig en stevig deden, als ze door de nabijheid van anderen gesteund werden, en onder een hoedje te vangen waren, als ze met iemand alleen waren. Zelfs tegen zijn eigen broer, waarmee hij gek was - hoe ze ook van aard en karakter verschilden - deed hij grof en lomp, als hij in de kring van de koempels (mijnwerkers) doorsloeg - en werd hij kinderlijk behulpzaam en schuchter, bijna vrouwelijk-week, als hij enkel op hem aangewezen was. Hij had het dubbel karakter van tante Toos: uiterlijk gespierd, innerlijk om met een pink omver te duwen.
Maar Koert, die dat niet wist, en de grote slungel met de baard tot nu toe enkel van de beroerde kant had leren kennen, en op die hete zomeravond met de trillend doorschijnende lucht, om de aanmatiging van de neef, die zich met de geestelijke opvoeding van zijn kostelijk kereltje begon te bemoeien, liep te mokken, verdraaide het om zich de schampere uitval te laten welgevallen. De oude, nietsontziende drift kreeg hem te pakken. Ko, die naast hem liep, opzij duwend, stapte hij ineens tussen de twee broers in, en vijandig de bebaarde neef met zijn ijzeren elleboog aanstotend, zei hij heftig:
‘Dat mot je nou nog es zeggen, nou ik naast je loop, grote, stomme kwajongen!’
‘Ik wil het je zwart op wit geven,’ hield de ander onverschillig vol. ‘We hebben met jou niks as gedonder en kouwe kom-plimenten - en morrel niet met je poot tegen me op, want daar ken ik niet tegen.’
‘Ik ken niet tegen zo’n boel,’ gromde de electriciën, ‘en nou ik toch met je bezig ben, wou ik ook nog an je beetje verstand brengen, dat je met me kleine kereltje geen kunsten
225