sen boven zijn hoofd en door de halve duisternis, omdat tante Toos het licht van het tuimelraam met de volrijpheid van haar lichaam onderschepte, had hij een dikke pruillip getrokken en doortroebelden de waterlanders zijn ogen. ‘Dat komt er van,’ lachte de electriciën na. ‘Het had geen haartje gescheeld of ik was op de rabarber terecht gekom-men.’
‘Nou zeg ik je maar één ding,’ ruziede Toos ongemakkelijk, toen hij zich weer door het raamgat in de slaapkamer had laten zakken. ‘Je begint hier de kunsten niet...’
‘Toosie/ praatte hij in de toon van de waarzegster, ‘as die dra jen eenmaal gespannen zijn, ken je bij een kommetje koffie het nieuws van de hele wereld op vangen...’
‘Ik heb an jou nieuws genoeg, en meer as me Hef is,’ viel Toos hem in de rede, ‘ik mot er niks van hebben. As de bliksem er inslaat, ken je na de centen van de asserantie fluiten, en as de bliksem er niet inslaat, haal ik de vuiligheid nog van me dak. Je mot ze hier kennen! In minder as geen tijd klessen ze het hele dorp rond, dat we centen te veel hebben, Hef ie.’
‘Ach kom,’ hield de electriciën vol, ‘daar motten we maling an hebben!’
‘Daar ken jij maHng an hebben!’ kwam Toos vinnig los. ‘Jij heb an zo’n boel maling - an God en de wereld - en an het heil van je ziel - maar ik blief geen opspraak - dat is goed voor mensen met centen - jij heb altijd boven je stand geleefd. Ik heb je nou niet tegenover die floddermedam van hiernaast, om de grote bek die ze opzette willen afvallen, maar gelijk had ze. As je het mijn voor me raam had geflikt, nou! En laten we mekaar nou zonder verdere ruzie begrijpen, Hef ie: je heb te kiezen of te delen, - as je hier in ons huis voor niemendal wil blijven wonen, dan mot jij doen zoals ik wil en niet zoals jij wil en anders...’
‘En anders?’ viel de zwager haar driftig in de rede.
‘En anders niks!’ zei Toos, net zo driftig, maar de woorden, die ze wou zeggen en die hij best begreep, inslikkend. ‘Dat zeg je me geen tweede keer,’ gromde hij, en zot van beweging, als alle door het topzware ding Drift gedreven mensen, sjokte hij plotseling de radiokist op zijn schouder, en zonder te weten wat hij ermee ging uitvoeren, en waar hij het deed, liep hij er het huisje mee uit, het voortuintje door
219