buigend.
‘Niks voor jou,’ vlamde de oudere zuster op, en om te beletten dat Riek het zou zien, goot ze koffie in de kom, die in haar hand trilde.
‘Ik heb het is eens gehad,’ verhaalde de vroedvrouw met voorbeeldige takt, en ze schonk zich een kommetje met véél suiker en melk in, ‘dat je de ooglejen zag open en dicht gaan, maar dat is toen niet erg geweest... het was de hond die ze jaren gehad hadden, en die door zijn gekef tegen de wielen onder de kar raakte. Er komt altijd iets van uit, maar je weet nooit waar, wanneer en nooit in de hoeveelste graad...’ ‘Was er een dooie?’ vroeg Riek - ze dorst het woord haast niet in haar mond te nemen.
‘Nee!’ loog Toos ‘en zeur niet op de late avond over misselijke lammenadigheden. Daar mot je hier in Heerlen niet mee beginnen, Riek, anders krijgen we verdikkeme mot met mekaar!’
Er werd die nacht onrustig in het huisje geslapen.
De twee kinderen deden lastig, en de vrouwen schrokken bij elk geluid, nu er geen man in huis was. Als het varken in het stalletje knorde of zijn trog bewroette, zat Toos in luistering in het bed van Ko op — en toen het geitje blerde, omdat de vroegzon zo fijn door de spleten van het hok haar lichtbundels deed zingen, sprong moeder uit haar bed, om de weg door het zoldervenster af te spieden. Toch gebeurde er niks. Alleen bracht de eerste post, terwijl de mannen sliepen waarachtig een brief, waarbij de zusters geweldig opkeken. Koert werd op geroepen om voor de rechtbank in Amsterdam te komen getuigen. De aannemer, bij wie hij de electrische verklikker aan de verborgen brandkast had aangebracht, was failliet verklaard en op aanwijzing van de curator in hechtenis genomen, omdat er hele lelijke dingen ook met de papieren in de brandkast gebeurd waren. Mevrouw had bekend, dat haar man het geld zelf zoek had gemaakt, en in een opwelling van berouw had ze honderd gulden in de overzijbus gestoken. Het nummer van het biljet en de lettersoort van de schrijfmachine hadden het aan het licht gebracht.
‘Da’s fijn,’ zei Toos. ‘As je maandag gaat krijg je de reis en je verzuim vergoed. Wat een sallemanders, om jullie dat an te doen!’
214