voor jou. Dan haal je je allemaal spookgedachten in je hoofd.’
‘Heb u wat naars van mijn jongen gezien?’ vroeg moeder, die subiet voelde dat er wat was.
‘Ik hoef niet voor uw jongetje te kijken/ stelde de juffrouw gerust, ‘die wordt honderd jaartjes, as je hem levertraantje voert, het ene lepeltje voor, het andere na... Ik keek...’ ‘Marie, kies u asjeblieft niet waar zij bij is!’ viel Toos driftig in de rede. ‘Ik ken me zuster beter as u.’
De vroedvrouw-waarzegster antwoordde niet. Die had een schone kom van het stel genomen en een tweede spoelsel gronderige koffie. De met de toekomst van mensen spottende, alles wrokkig ontledende lamp, sloeg fonteintjes in en tussen de lovertjes van haar lintenhoed, doorscheen de versleten garen handschoenen, de geelbleke vingertoppen met de zwartrandige nagels - en vrat de slagschaduwen rond het neertragende, beddingen, spelonken, stalactieten en... doodskoppen vormende koffiedik langs de witgranieten komglooi-ing.
Juffrouw De Koos-Kerckhof wrikte de kom een paar maal in de koestering van haar kamgaren kluifjes, en plette de in het lamplicht bloedeloze lippen, terwijl de gespannenheid van haar wenkbrauwen de haartjes nu, als zich tegen de aanval van een rupsendoder verwerende larven, deed naalden. Ze had het voornemen geen woord te zeggen, zo als ze zelf in de openbaringen geloofde, maar omdat ze niet gekomen was, om met een verschriktgeheimzinnig gezicht te blijven piekeren, liet ze tenminste iets los.
‘U krijgt morgen of overmorgen een briefie waarvan u zal opkijken, Toosie - ik ken niet zien of het plezierig of niet plezierig zal wezen, maar een verrassinkie is het zeker -het is een briefie met lakkies erop... Nou en dan wachten er geen vrolijke gebeurtenissen. Ik krijg tweemaal hetzelfde - tweemaal precies eender. Asjeblief. Kijk jij maar, Toosie. Ik heb je gezeid, waar je op mot letten, al ken je d’r niet altijd van op an, omdat satan vol rare strekies zit../ Toos nam de kom in haar bleekvette handen, keek, zag de schedelomtrekken, de holle oogkassen en bleek tot aan de wortels van haar haar met de zilveren slieren, zei ze: ‘Angstig... angstig...’
‘Wat zie je dan?’ vroeg de jonge vrouw, zich over de kom
213