de ploegenwisseling zo was gelopen, dat de drie mannen samen een week nachtploeg hadden - ze had er al meer met haar zuster over gesproken, maar nu merkte die het zélf hoe beroerd het was zo’n nacht alleen, zonder man over de vloer. ‘Ik begrijp er niemandal van dat zo’n voetje niet heelt. Een kind met zo’n ongezond geneesvlees mankeert wat anders. Ik het er de waarzegster bij kommen.’ ‘Ach kom,’ weerde moeder zwakjes af, maar dubbelbezorgd door de opmerking, die ze bijzichzelf al gemaakt had - het kind werd met de dag magerder, al zag zijn snuitje met de blauwe, minder omkringde ogen, er beter uit - verzette zich niet, toen Toos de vriendin-waarzegster de volgende avond laat, want ook die d’r man, d’r vierde, was van de nachtschicht, meebracht.
Het was een klein, zwart vrouwtje met saamgegroeide wenkbrauwen en een lorgnet op haar mopsneusje. Haar man hoefde niet in de mijnen te werken, want zij verdiende geld als water als vroedvrouw en in haar vrije tijd met het lezen van koffiedik. Er was geen mijnwerkersvrouw of ze was bij haar geweest. Dat ze zelf op bezoek kwam, was een hoge onderscheiding, omdat ze veel vriendschap voor tante Toos voelde. Haar tweede man was dezelfde nacht met tante Toos’ eerste en laatste onder vallend gesteente gebleven. Ze hadden samen staan huilen voor het hek van het emplacement en ontmoetten elkaar op de fatale sterfdag op de kleine begraafplaats, om een vers bloemetje te brengen. Dat deed de waarzegster uit piëteit net zo bij haar eerste en derde en zou ze ook bij de levende doen, als hij God-bewa-re... Want de hemel was met haar geweest. Van iedere man had ze een zoon en een dochter, allemaal blakend in leven. En ze had in het koffiedik, waarin ze als in het Hiernamaals geloofde, zichzelf nog één man toebedeeld, en het zou niet bij de acht blijven. Meestal voorspelde juffrouw De Koos, die soms met haar eigen namen in de war was, ze heette van zichzelf Kerckhof en was naar het stadhuis én naar de kerk met wijlen Oolijk, wijlen Treurniet en wijlen Graff geweest: de duivel speelde met haar! meestal voorspelde ze aangename zaken, zelden narigheid! Want het kwam altijd uit. Ze zag dikwijls meer dan ze losliet - met te grote loslippigheid maakte ze de vrouwen schuw - en als ze bij je binnenkwamen las je het al in de verte op hun ge
210