onderste suikerdrabjes van zijn kopje thee met veel melk opdiepte, naar haar benig vierkant hoofd gesmeten, en raak ook - het had geen haar gescheeld of het meisje had het blikken eind in haar oog gekregen — omdat ze telkens om de hoek van het huisje kwam treiteren en dan haar smerige tong tegen hem uitstak. Daar had hij eerst op geantwoord met óók een tong, met vijf langs zijn neus gestrekte vingers erbij, maar toen was ze aan het geniepig fluisteren gegaan met een overzij jongetje, een dreumes van een jaar of vier, die een fluitje en een zweep had, en een neus nog vuiler dan Piet de Smeerpoets - toen had die kleef-aan-het-vuil zijn neus opgetrokken en aan een stuk door geroepen: ‘Het stinkt hier na de viezigheid! Jij zit in de viezigheid!’ Toen had het brillespook met het gezicht dat ze in Amsterdam zouden hebben nagekeken, het voorhekje open en dicht gesmeten en geroepen: ‘Vieze putjes jongen!’ - en toen was het lepeltje, waarmee hij al een paar keer gemikt had, tussen haar neus en haar oor gevlogen, had het ene brille-glas een barst gekregen. Het sarrende spook zette een bek op of ze gekeeld werd. Toen had buurvrouw met haar vuist over het hekje gedreigd, was tante Toos eraan te pas gekomen, en die had in het eerste kwartier geen kamp gegeven. Als zij de zieke jongen met zijn open voet geweest was en ze haar wilden négeren, had ze een stoel in plaats van een lepel genomen. De jongen hoefde zich niks van dat kind met haar kaashoofd te laten welgevallen, en als ze het nog es probeerde, kreeg ze van h&ar een pak voor d’r broek. Dan ben ik er toch ook nog, had buurvrouw grimmig beweerd - en de dorpsstraat daverde kort maar krachtig door het stemmengeweld.
Koning Kool, de kaboutermajesteit, die van het gebroken brilleglas gehoord had, was, vertelde vader, vreselijk uit zijn humeur geweest. Je mocht een meisje, dat pas een oogziekte gehad had, niet met een lepel smijten en voor straf had de koning een steen laten inpakken, die een volgende keer met enkel water moest worden gegeten, als hij nog es zo driftig deed. Lang was de kabouterkoning niet boos gebleven, want de volgende dag was het de helft van een ka-neelstangetje - de andere helft had de koningin, in een jaloerse bui, op gepeuzeld.
‘Ik begrijp niet,’ zei tante Toos op een avond, toen het met
209