je zweet, hoe gauwer je je luie vet kwijtraakt. Motten we nog ver? vroeg ik. Me tong hing een meter uit me mond, die sleepte zo achter me an, dat ik hem op most binden om niet op hem te trappen!’
‘Huuuuuuuu! Huuuuuuuu! Hoe ken dat nou!’
‘Gekke kerel!’ lachte moeder en de zon lachte zo luidruchtig mee, dat het spiegeltje boven de lampetkan, het karaf je water en de vergulde letters van het kruis boven het bed I.N.R.I. mee begonnen te schudden. De pret danste uitgelaten door het zolderkamertje. Zelfs Magdaleentje, met de paarsbleke vingertjes, die ze in ontdekking voor haar scheel-kijkende oogjes hield, kraaide er leutig op los.
‘Motten we nog ver?’ vroeg ik an Snips, die me maar met me lenden en me tong liet scharrelen.
‘Nog een zestig kilometer,’ zei hij. Dat is geen pretje, dacht ik, geef mijn liever een trammetje. Maar het schoot gauwer op as ik gerekend had. Ineens kwammen we voor een poort van eierkolen en harde turf. En die ging vanzelf open, omdat ze het lampie van Snips al in de verte hadden gezien. Eerst wouen ze me buitenlandse pas inkijken, want je mag zomaar niet een paleis binnenkommen. Maar Snips zei: halen jullie geen haarlemmerdijkies uit: de koning heb hem zelf gezeid bij gelegenheid een kop leut te kommen drinken. Nou, ik na binnen. Fijne boel. Een marmeren gang met een electrike lampies, om je ogen blind an te kijken. Alleen de vrouw van de koning had de duvel in. Ik was op me sokken binnengekommen, maar je zag de smerige voeten toch op de lopers. Een schandaal, zei de koningin. Uit welke stad komt die hongerlijer, dat hij niet eens zijn voeten behoorlijk veegt? Majesteit, zei ik, ik kom uit Amsterdam, waar ze me weggepest hebben, en ik weet bliksems goed hoe het hoort. Toen zei zij, en daar had ze geen ongelijk in, u mot hier in het paleis van mijn man zo’n brutale bek niet opzetten. Dat mag ik alleen. U is an het verkeerde kantoor. Toen zei ik wat, en toen zei zij weer wat...’
‘Had nou liever je mond gehouwen, vader. Waarom was je ook zo bretaal?’
‘Ja mannetje, daar dacht ik eerst later over. Maar gelukkig kwam koning Kool er zelf bij. Die begon suscht te roepen, maar de koningin zei: hou je erbuiten. En ze haalde een stoffer en een blik. En de koning nam me stiekem mee naar
206