niet voor de gek. Of je in Holland ben of in Duitsland, of misschien ergens anders: ze zeggen geen goeiemorgen, of goeiemiddag, of goeieavond of bejoer tegen mekaar. Ze roepen niks als ‘Glück auf!’ - en as vader het in zijn hoofd zou halen Dag! te zeggen, zouden ze met hun vinger tegen hun voorhoofd wijzen. Begrijp je?’
‘Hoe zeggen ze het?’
‘Glück auf !’
‘KluukouffP herhaalde de jongen, maar in de ondergrond van zijn stem bleef toch nog de aarzeling of vader hem geen dingen voor verschrikkelijk kleine kinderen zat te vertellen: ‘Kluuk, kluukouff. En verder van die koning.’
‘Nou mannetje, die koning op zijn paard zei: “Glück auf!” en gaat u maar met mijn mee, dan zal ik u cle weg wel wijzen, waar de anthraciet en waar de cokes en de briketten zitten, en daar mag u zoveel van mee na boven nemen als u wil, as u er maar zuinig mee is. Ik zal u een van mijn hofhouding meegeven. En toen riep hij Snips kom u es hier! En toen kwam opeens een kabouter na me toe, met een houweel en een mijnlamp, en die zei: “Glück auf, Majesteit!” en toen zei de koning “Glück auf, Snips!” en ik zei “Glück auf!” en het paard zei: “Glück auf!” Die meneer, zei de koning, die een véél langere baard had as Blauwbaard, weet hier nog niet zo best de weg. Gaat u zover met hem mee Snips en as hij zijn werk heb gedaan, en de lampen goed schoongemaakt en de leiding voorzien en het schakelbord nagekeken, laat u hem dan eerst zijn penning van de hondenbelasting nommero 743 an de controle inleveren, anders denken ze boven nog dat hij er met de brandkast van de aannemer vandoor is...’
‘Man!’ viel moeder in de rede.
‘En dan brengt u hem bij mijn in me paleis, verstaan Snips?’ ‘Majesteit, ik ben om de weerlicht niet doof,’ zei Snips. £Nou toen ben ik wezen werken, dat ik nat wier van de warmte. Het is er om te bezwijken zo heet’ - onderbrak de electriciën het eigen verhaal - ‘hoe dieper je komt, hoe heter het wordt! Er zit me een centrale verwarming in de ingewanden van de aarde, die ze allang hadden kennen gebruiken, als ze bij de hand geweest waren. Er hoeft niemand kou te lijden, dat zeg ik je.’
‘Vader, wat is dat nou! Je mot niet met moeder praten, as
204