kleuterbed van het zusje, dat hem uit de buurt van vader en moeder verdrongen had, kijkend. Hij moest van alles weten, wat er op de spreuken stond, wat het betekende -waarom er ook hier een kruis met een takje hing — en waarom...
‘Schat,’ vroeg moeder. ‘Hou nou eens effen as een hele gr te jongen je mond, want ik ben nog geen ogenblik met vader alleen geweest, en ik zou graag willen weten, hoe het beneden in de mijn is!’
‘Wat zal ik je daarvan vertellen,’ ontweek de electriciën stug, ‘ik heb je al gezeid dat het geen lolletje is. Wat mot je dan meer weten?’
‘Alles/ zei moeder. ‘Hoe meer je ervan loslaat, hoe minder zenuwachtig ik morgen en overmorgen zal zijn. Nou zat ik in me eentje aan één stuk te fantaseren. Toe, vertel nou es schat.’
‘Hoor je niet wat moeder vraagt, grote broer. Je zou vertellen. En anders zetten moeder en ik grote ogen op!’
‘Nou/ zei vader overwonnen, en meteen zat hij in een zon-neplas. ‘Je stapt in de kooi en daarin zit je op je hurken, met de haak van de mijnlamp in je mond. Rechtop staan ken je niet, omdat er in de lift nog meer verdiepingen zijn - dan zak je met een vaart an de kabel. Je hangt met zijn allen an het schachtrad. Als je het wiel in de lucht ziet wentelen, hangen er mensen of kolen an. Kolen in de eerste plaats.’
‘En als die kabel nou breekt?’ vroeg moeder angstig.
‘As de kabel breekt, breekt er meer/ spotte vader. ‘In de eerste plaats zoveel nekken as er in de kooi mee na boven of mee na benejen gaan. Maar dat is allemaal best verzorgd. Want an iedere nek, die an de kabel van de kooi hangt, hangt een penning met je nummer. Ik heb no. 745. Voor je je werkpak antrekt, grijp je van het nummerbord je penning - precies as bij de hondenbelasting - met die penning stap je in de lift en as je boven terug ben, hang je je nummer weer op zijn plaats. Dan weten ze, dat je er niet vandoor ben. Het nummerbord is de burgerlijke stand. Begrepen?’
‘Dat je er niet vandoor ben?* vroeg moeder. ‘Hoe ken je er vandoor gaan, as je benejen ben. Dan zit je toch opgesloten?*
201