het ventje met dikke tranen en een pruillip bleef toekijken, of hij heus...
29
‘Wat een pestkop is die Blauwbaard/ zei hij, zo toen ze van tafel op waren gestaan. ‘Ik had hem geen asem gegeven, grote broer - ik zag wel dat je vreselijk kwaad wier, want je smeet met de aarpels op je bord, of de boel kapot most. Je mag je niet kwaad maken. Dat is het domste wat je ken doen/
‘Meen je?’ vroeg vader, het tengere jongenslichaam tegen zich aan koesterend, en zich verkneuterend bij de schrikke-lijkwijze woorden uit een mondje, dat zich ’s nachts nog aan een bekloven duim bezondigde. ‘Meen je dat? Dan zal ik het nooit meer doen, nooit en nooit meer!’
‘Dat zeg je telkens/ verweet het kereltje. ‘En nou geloven moeder en ik je niet meer. An enkel klessen hebben we niks. Zeg het zelf!’
‘Pas maar op, dat ik je niet met huid en haar opeet/ begon vader te vrijen, en zijn snor kriewelde zo bij zijn oor, dat hij met zijn benen spartelde om los te komen, en vader haast van de nauwe trap tussen de twee slaapkamertjes in, af was geslagen. Magdaleentje lag net aan moeders borst. Ze begon nu plukjes haar te krijgen, of ze aan het ruien was, maar met haar mond bleef het nog mis. Geen tand, een uur in de verte, te bekennen. Als er van dat kind wat terecht kwam, nou!
Vader bukte onder de hanebalken en ging om moeder niet te hinderen op het voeteneind van het grote bed, dat de voorkamer haast helemaal in beslag nam, nu het bedje voor de zuigeling er ook nog moest staan, zitten.
De zon broeide door indigo wolkekoppen, die met jachtende vaart langs haar heen schoven, plaste door het tuimelraam, dat dan ineens begon te schaterlachen van zonnepret, om een paar tellen later in norse schaduwen weg te kniezen. Dat gaf dan om beurten een monter, fris in zijn behang zittend zolderkamertje, of een somber-chagrijnige keet, waarin ook de mensen humeurig moesten worden.
‘Ik vind het hier erreg leuk/ zei Koertje, afgunstig naar het
200