pen,’ zei het kereltje geïnteresseerd.
‘Suscht! Niet praten. Effen je mond houwen,’ fluisterde de man weer, en net had hij de vlieg opgebaggerd en hem als een inktmop op het tafelzeil gestreken, of een tweede, veel grotere bromvlieg, zeker langs de glibberrand uitgegleden, of zo stom om te menen, dat het bruine van de saus begane grond was, zwom er met minstens zes poten op los.
‘Dat komt ervan, sausedief,’ zei het ventje. ‘Da’s je verdiende loon. Knap als je de vetvlekken uit je boddie krijgt.’ ‘Amen/ zei tante Toos, wat ze anders nooit zei, en haar oog-priemen zochten vijandig de zwager, die zijn kind zo voor de galg Het op groeien. Het was schandalig.
‘Nou wou ik één ding,’ kwam neef Gerrit los, en zijn handen nog niet koud van het gebed, verlegden in drift mes en vork, ‘dat u onze mijmering niet stoort met het vangen van vliegen uit de sauskom. U kent voor mijn part geloven wat u wil, en zo weinig as u wil, maar u mot zoveel respect hebben voor de overtuiging van een ander, dat ik me niet hoef te ergeren onder me gebed door.’
‘Ken u een onnozel kind het zwijgen opleggen?’ vroeg de electriciën geprikkeld.
Ze zeiden nog u en u tegen elkaar, want ze hadden geen vijf minuten geleden met elkaar kennis gemaakt. Vannacht waren zij niet thuis geweest en vanmorgen had vader de och-tendschicht gehad.
‘Ik ken een onnozel kind het zwijgen opleggen, en hóe opleggen,’ gromde Blauwbaard, grimmig de baardslieren doorplukkend. ‘En dat ken u net zo goed, as u begint met de jaren, dat het kind zijn eerste woorden gaat zeggen. As er bij u thuis gedankt was bij het eten, zou zo’n kind hier onder de mijmering zijn bek weten te houwen.’
Vader werd vuurrood in zijn nek, klemde zijn kaken op elkaar.
‘As u eerst kinderen heb, kom ik bij u praten,’ zei hij, zijn woede aan de aardappels koelend, die op zijn bord buitelden, of ze met elkaar aan het bakkeleien waren.
Hij wilde nog meer zeggen, maar moeder stootte hem zachtjes onder tafel aan, zo, dat iedereen het merkte, en er door de onhandige beweging, die het tafelzeil versj orde, een gammele mosterdlepel uit het donkerbruin omrand mosterdpot je viel.
198