‘Wie is Blauwbaard, schat? Is dat die man die zoveel vrouwen om zeep heb gebracht?’
‘Om zeep,’ verbeterde het kind, ‘vermoord - an d’r haren in een kast opgehangen. Nee, neef Blauwbaard mag ik niet. Die zeit niks, of hij zeit lelijke woorden.’
Nu begreep vader het en hij lachte met Ko mee, maar een half uur later was er met Blauwbaard, op wie ze moesten wachten bij het aan tafel gaan, de eerste spanning.
‘Wat een reuzefamilie,’ praatte tante Toos, vergenoegd van de kamer naar het keukentje heen en weer wiegend - geen denken aan: Riek mocht haar de eerste keer niet helpen -ze kon het best alleen af - ‘Wat een gezelligheid ineens. Eerst hebben we hier ook met zijn zevenen gezeten — dat zal je je niet meer herinneren, jongens! - en toen is er langzaam an geknabbeld - eerst grootvader, die nog boven de grond meewerkte, weg - toen je zussie van negen weg -toen je broertje van zeven - die smerige rookvonk! - en toen je vader weg - weg - allemaal weg... En zo krijgen we ieder ons beurtje. Een, twee, drie vier, vijf, zes...’
‘En me zussie, tante?’
‘Hij heb gelijk. We bennen wéér met z’n zevenen,’ knikte tante, en de ploffende damp van de aardappels barstte om de hoofden, die zich naar de saamgeleide handen bogen. Tante zat stil, van Blauwbaard zag je enkel een punt van zijn neus, Ko keek met zijn gesloten ogen, onder de zebra-strepen, of hij er iemand tussen nam — en moeder hield geen oog van haar bord af.
Toen, bij dat daagse gebed, in het nu de kamer binnenschijnend, het dampen der aardappels doorlachende zonnetje, klonk de schelle stem van het kind.
‘Tante...’
‘Stil jongen,’ zei vader.
‘Waarom mag ik niet praten?’
‘Suscht,’ maande de electriciën, die zich in stilte ongemakkelijk voelde.
‘Er baait een vlieg in de saus.’
‘Suscht,’ zei vader weer, en hij fluisterde er zo zacht als hij maar kon bij: ‘die haal ik er wel uit.’
En om het jongske af te leiden, schoof hij zijn ijzeren vork als een reddingsboei in de sauskom.
‘Hij glipt er verdorie weer af - hij wil al zijn leven verzui
197