‘Vertel nou es,’ zei moeder haar arm door de zijne stekend: ‘Vertel nou es, schat.’
‘Nou,’ zei vader, ‘een lolletje is het niet, maar ik wen er wel an, wat jij, Ko?’
‘Je verslaaft er totaal an,’ grinnikte Ko. ‘Je ken er an het end niet meer buiten. Maar je handen zallen wel verkeerd gestaan hebben, toen je pas benejen was, niet?’
‘De kooi is het beroerde,’ zei vader. ‘Het erin kruipen is niks, maar dat gesuis in je oren en dat kloppen en het eerst niks kennen horen, as je uit de kooi stapt, dat is verdomd vervelend. Ik begreep er geen bliksem van. Ik stond maar met me vingers in me oren te peuteren, en dacht: wat zal me nou gebeuren, en toen sleet het weer vanzelf. - En hoe heb jij het gehad, mannetje met je blauwe ogen?’
‘Fijn, vader. Ik heb zoveel gegeten, dat me buik eens zo dit is - neef Ko heb getoverd met aarpels en blommen - neef Gerrit heb op de grammofoon gespeeld. Toen heb een hond met zes jongen zitten huilen, enne die was van een man met één oog, omdat die een stuk steenkool d’r in heb gekregen enne toen is tante Toos zo boos geworden dat ze hem een aarpel na z’n ribbekas heb gesmeten, enne Ko heb bladluisies gedresseerd, enne de vrouw van de dominee springt door hoepels en danst de horlepiep op Ko zijn duim. Vin je dat niet leuk, vader?’
‘Prachtig,’ lachte de electriciën, die er niet alles van snapte. ‘Dus je ken het met Ko vinden?’
‘Met Ko ja - met Blauwbaard niet.’
‘Wie is Blauwbaard?’ vroeg de electriciën, en met een plotse opwelling van hartstochtelijke levensvreugde - de zon blakerde over de weg, deed de regenkuiltjes zachtjes dampen, zo vreemd en teer of de koolgrond tegen het zilverge-blikker van het water in, ademde; zo bedwelmend of wierook uit stralende kelken opsteeg - met een niet langer in te houden blijdschap, dat hij hier, na uren en uren in het schemerduister en het gewiegel der kwijnende mijnlampen, weer in het schaterzingend licht van de hemel, op een morsig kolenpad, onder de hemel, naast zijn vrouw en kinderen onder de hemel liep, - zoende hij zijn wijf nog eens, nog eens, toen de kleine meid, toen het kereltje, waarvoor hij zich niet behoefde te bukken, omdat hij nu op de schouder van de zwetende Ko een reus was geworden.
196