had gestreken - bewreef hij zich de zwetende kale knikker en het glimmende voorhoofd.
Het kereltje op zijn schouder, nahijgend van plezier, zag de verwoesting aankomen.
‘Ko, je potlooit je hoofd.’
‘Wat doe ik?’
‘Je potlooit zoals moeder het fumuis. O Ko, wat zie je eruit! Je wordt een nikker as je door blijft potlooien.’
‘Wat zallen me nou?’ vroeg Ko en een blikken lucifersdoos-spiegeltje uit zijn mouwvest diepend, bekeek hij de sepia strepen en kringsels tussen de haarfranje bij zijn slapen en het bleke jochie, dat van het toeren en draven een buiten-kleur had gekregen. ‘Mot je daar over schreeuwen. Ik zie er, as ik van beneden kom, wel erger uit. Asjeblief! Jij ken er beter bij as ik.’ Dan kreeg Koertje de vettige zakdoek in zijn kleine pootjes, en met een nog schone punt probeerde hij het rare, naakte hoofd van zijn schaduwstrepen te ontdoen.
‘Ik zal je es een goeie beurt geven,’ praatte hij vertrouwelijk tegen het hoofd, waarvan hij dadelijk was gaan houden. ‘Maar dan mot je niet bewegen, want daar heb ik me twee handen voor nodig, en as ik uitglij ken ik me nek breken.’ Kleine propjes speeksel sputterde hij op de zakdoekpunt, en terwijl Ko de voorbijtrekkende mijnwerkers goeiendag begon te zeggen, schrobde en boenderde het kereltje tot er weer heuse witte huidplekjes kwamen.
‘De rest komt de volgende week,’ lachte Ko. ‘Jij scalpeert me gedorie! Wie komt er onder me hoed kijken, hoe ik er uitzie, stommerd? Poppetje gezien, kassie dicht.’ En met een stevige zwaai mepte hij de hoed weer over de zebrahuid. Gos, gos, wat had Ko een vrinden! De een voor, de ander na — er was haast geen uitzondering op zei: dag Ko en er was ook niet een of ze droegen een blikken drinkkan mee. ‘Ken je die allemaal, Ko?’ - ‘Ja, jongen.’ - ‘Ben je met ze op school geweest?’ - ‘Dat nou juist niet, maar we hebben samen een vereniging, begrijp je?’ - ‘Nee, Ko’ - ‘Je hoeft ook niet alles te begrijpen,’ redeneerde Ko. ‘As je in het leven alles begreep, was je onze lieve Heer zelf, en ik laat me op slag ophangen as die er vandaag zelf uit wijs ken worden. Dag Bertus! Dag Simon! Dag dikke Wim! Jij raakt ze maar. Je zal het gat van de kooi niet meer in. kennen
194