Blauwbaard met zijn zeven vermoorde vrouwen was er tussenuit getrokken, zei Ko, om nommero acht, een vrolijke weduwe met een spaarboekje, een varken met biggen, een hond en een half dozijn poezen, aan haar lange vlechten mee naar de torenkamer te sleuren. Het was op Ko’s schouder het fijnste zitje, dat je je denken kon. Vader was sterk, maar Ko was taai. Die was zó taai, dat hij hele einden in draf liep, en weer in draf terug, en dan nog hinnekte as een paard, dat schik in zijn leven had.
‘Ko!’ riep moeder angstig - ze was in een stemming, om bij elk geluid, elke onverwachte beweging, te schrikken. -‘Ko, wees in godsnaam voorzichtig! Ko! Tou nou, Ko! As je struikelt en met de jongen valt. Denk an z’n open voetje!’
‘Je mot bij mijn niet wezen,’ zei Ko dan, en hij bleef trappelen als de schichtige knol van een berejen diender. ‘Ik ben de volbloed Trakchenerhengst - ik heb niks in te brengen, u mot tweehoog wezen bij me koetsier of driehoog bij me palfrenier.’
En dan sloeg hij weer op hol, hobbelde Koertje op het schouderzadel, werd het kind zo baldadig, dat hij met de hiel van zijn gezonde voet het dravende paard spoorde en porde, en dan weer paars van benauwdheid werd, omdat de volbloed als een kip kakelde, sprongen nam en fratsen met de voorbijgangers uithaalde, dat je van het lachen stikte. Moeder, achtergebleven, niet zo vlug aanstappend met de zwaarderwordende zuigeling, rustte even op een gruis-berm van de zwarte weg. En zo taai kon Ko, gewend aan sjouwen en gebuktlopen onder de stutbalken van de mijngangen, niet wezen, of nu moest hij ook een paar tellen uitblazen. Met een zakdoek, die hoe tante Toos er ook tegen vocht altijd pikzwart was - daar deed hij alles mee - je kon het niet zo mal bedenken of het lel van een doek kwam er an te pas, an het beetpakken van een vette pan, het inwikkelen van natte pruimtabak (dat was de grootste ellende dat je beneden niet roken mocht!) het af drogen van zijn handen en niet het minst: het schuieren van zijn schoenen, als ze in de stofnesten, van de weg hun gezonde kleur kwijt raakten - met die vandaag extra-smoezelige zakdoek, omdat hij er, terwijl tante Toos boven met moeder bezig was geweest de walmende pitten van het petroliestel mee gelijk
193