de aannemer bij wie ze ingebroken hadden, draaien en dan zei Ko: ‘Tante, zal ik es voor je goochelen?’ - ook gek, dat zo’n grote man, met een kaal hoofd, als de hoed er niet was, aan zijn moeder tante zei.
‘Ja, goochel jij es,’ glimlachte moeder. Dan deed Ko het heus. En dan kwam het meisje van de buurman onder hetzelfde dak, die ook een varken hadden, maar lang niet zo’n vet beest - leek er niet op - ook over het zijhekje kijken. Dat was een spook. Die was zo lelijk als een jongen, met nog kortergeknipt haar dan hij, met oren, waaraan ze vreselijk getrokken moesten hebben, want ze knapten haast van haar hoofd af - en ze droeg een bril met ijzeren stangen, die ze zeker van haar vader of moeder gestolen had, zo’n bril op hoge poten als het was - en dat monsterlijke jongensmeisje riep telkens: ‘Ik zie hoe je het doet, Kol Nou heb je de aarpel achter je duim, Ko! Nou stop je hem in je zak, Ko!’ En dat was allemaal liegen van die jongen met het meisjespakje, want je kon niét zien hoe Ko het dee. Moeder zei zelf telkens: ‘Daar zit ik paf bij! Hoe ken dat, Ko?’ En dan werd de aardappel een gulden, of de aardappel werd een zakmes. ‘Blijf es staan,’ zei Ko tegen het bril-lespook, en dan riep hij hokus pokus-pilatus en dan zat er boven op het stoppelhoofie, terwijl hij eerst zijn lege handen had laten kijke#, een geel mosterdbloempie.
‘Nou eerst je koffie met je ei erdoor,’ zei tante Toos weer met een mansstem. ‘En geen gezanik, Riek - en dan ken je over een uurtje oplopen na de weg, waarlangs ze kommen. De jongens brengen je wel. Gekke kerel, gekke kerel, wat sta jij weer uit te voeren?’
‘Ik ga nooit meer onder de grond,’ zei Ko. ‘Asjeblief: ik grijp de zilverbons zo maar uit de lucht. Hou je schort op, moeder!’
28
Toen de ochtendploeg van het mijnemplacement kwam aanstappen, hoorde je weer het klos-klos-klos van de bespijkerde schoenen. Moeder hield Magdaleentje in de armen - hij zat op de stevige schouder van neef Ko. Tante Toos was thuis gebleven - die moest voor het eten zorgen, en neef
192