Droomkoninkje

Titel
Droomkoninkje

Jaar
1924

Druk
1983

Overig
9ed 1983

Pagina's
258



hè? Jongen? Ik mag wel man zeggen, en wat een man! De meiden zijn dol op hem, omdat hij een treurwilg is en geen dienst overslaat. Nou zal je het niet geloven, maar die twee hangen an mekaar as magneten. Ko! Kobusje! Wat bennen jullie toch voor mirakels vanmorgen dat je doet alsof. Ik most je met de pollepel voor je blote kont... Allemachtig-ste, wat heb het hier ingeregend. Kom er nou toch in! Nou dan niet! Dan til ik Koertje wel uit zijn kooi. Maar schaap, ben je nog zo gróen en geel van de slaap? En ach, me jongske, heb je de hele nacht op je doossie met flikkies leggen broeien? Ach, ach, je hele bolletje ziet er bruin van.’ Slaapdronken keek het kereltje rond, van tante Toos naar het bed in de regenplas, en van dat bed naar het plukje haar van Blauwbaard.

‘Die d&ér onder, moeder,’ zei hij, eindelijk op de schatte-arm, ‘is neef Ko, die in het natte bed is gaan leggen - en dat is neef Gerrit, die zeit: stik en hou je bek.’

‘Zo, mijn kind’ zei moeder, hem fijntjes knuffelend. Ze zag bleek. Ze keek telkens, bij elk gerucht naar buiten, maar ze gaf haar jongen een extra beurt, of het zaterdagavond was, zo erg. En het voetje, dat zijn rauwe wond bleef houden - wat had het kind slecht geneesvlees - wikkelde ze weer keurig in - en ze waste het andere, en knipte zijn nagels - ze wist zelf niet waarom ze het allemaal deed — ze was uit haar gewone doen - ze had geen huishouden, geen boodschappen, geen tafeldekken. Toos deed alles. Die lag op haar handen en knieën, veegde en redderde, en als'de witte poes in haar buurt kwam, streelde ze hem eerst ver-liefderig - wat een aanspraak had ze niet aan haar beesten, het varken, de geit, en de poes, als de jongens het gat in waren - streek ze met een ruwe hemd over zijn rug en zijn oppiekende staart, maar dan dreigde ze hem uit haar buurt: ‘Ga je weg, uitgeslapen kanariedief! Hoepel je op, Judas Iskariot om een onnozel vogeltje op te vreten.’

Toen Koertje zijn boterhammen, die hij hier veel, véél lekkerder vond dan thuis, ophad, moest hij mee om de geit te zien melken. Dat was een raar geval. Daar begreep hij niks van. Of het zo maar mocht. En of het geen pijn deed. ‘Doe het zelf maar es,’ zei tante, hem van moeders arm overnemend. Maar toen hij dicht in de buurt van de uiers kwam, worstelde hij zich los. De bok had hem zo vals aangekeken,

184

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.