zijn buurt sliepen om op hem te passen, dacht hij dat neef Ko met zijn kuif in het natte bed, lollig en prettig moest wezen. En de andere, Blauwbaard, kon hij al dadelijk niet goed zetten. Want die liet zijn broer op het klesse matras leggen, en nam zelf het droge, zonder dankie te zeggen. Mispunt hoor, Dat zou hij nooit aan Magdaleentje zeggen. Omdat neef Gerrit snurkte als een os, en er niks om gaf of je hardop humhum deed, bleef hij wakker liggen. De regen striemde minder fel tegen de pannen, maar je hoorde allemaal geluiden, die je thuis nooit gehoord had - het gillen van lokomotieven, het dreunen van wagens, het bèèè van een geit, en dan weer het wroeten van een varken in een schuurtje beneden.
Toen klonk er weer wat vreemds over de weg - het stappen van hoopjes mensen, of er een optocht was - klos-klos -klos-klos - aan een stuk door - wat een wandelaars midden in de donkerte - zeker een kerk in de buurt. En terwijl hij eindelijk insliep, stak vader voorzichtig zijn hoofd door de deuropening, knikte het bedje van de jongen toe, en ook zijn voeten deden toen mee aan het stampen en klotsen over de weg, die naar de Mijn voerde.
‘Hoe ken ik nou bij hem?’ vroeg moeder, die allang en breed klaar was met de zuigeling. ‘Ik ken toch niet in de kamer met die twee mannen?’
‘Je mot je anwennen,’ zei Toos, de deur resoluut openduwend, ‘om je hier voor mekaar niet te generen. Dan had je het vroeger motten meemaken, toen ik nog vrinden van me man op kamers had. Ik heb ze wel ieder om beurten met een boender gepoedeld - de ene teil met roetwater na de andere. Van buiten zit het hem niet. Van binnen. Daar heb je me jonges. Die daar, waarvan je het hoofd niet ziet...’ ‘Spreek toch wat zachtjes. Ze slapen.’
‘Klets niet. Je ken een kanon bij ze afschieten! Die onder het dek, is precies me man - een jongen om op te vreten van vrolijkheid - en de andere, waarvan je de elleboog en een plukkie baard ziet, is een treurwilg. Die heb een hart van goud, maar ken niks velen. Precies, goddank, mijn gestel. Gerrit, wor es wakker: hier is je tante. Nou verwed ik er wat onder, dat hij ons binnen heb horen kommen, maar het verdraait je nou al te zien. Hoor je niet, dat je moeder bij je bed staat, kreng? Wat een wil heb die jongen,
183