‘Ja neef.’
‘Goed jongen, je mot in het leven wakker blijven. Worden
wij vrinden, Koertje?’
‘Asjeblief, neef.’
‘Zeg maar Ko. Jouw moeder en mijn moeder zijn zusters, en as jij en ik kinderen krijgen, zijn dat achterneven en achternichten. Snap-ie?’
‘Nee, neef.’
‘Hindert niks. Je heb nog de tijd. Hoe oud ben je?’
‘Zes geweest. Ik was pas jarig.’
‘Ik feliciteer je. Is je verbrande poot weer beter?’
‘Nog niet helemaal, neef.’
‘Ken je al lezen en schrijven?’
‘Ja neef,’ loog hij, om groter te lijken én omdat hij dat praten in het donker met telkens blauw of groen en geel licht wat plezierig vond.
‘Hoe vin je het hier?’
‘Ik weet niet eens waar ik ben.’
‘Bij ons.’
‘O.’
‘En in mijn bed leit je neef Gerrit, die we Blauwbaard noemen, omdat hij al zeven vrouwen vermoord heb...’
‘Nou verzoek ik voor het laatst,’ gromde het uit de donkere hoek, achter de kleren, ‘en dat verzoek ik in het fatsoende-lijke: je bek te houwen - me kop barst. Het lijkt of je hem om heb...’
‘As ik morgen twee sigaren van je krijg.’
‘Ken je hebben, as je nou maar stikt.’
‘Nacht Koert, mijn zoon. Nou trek ik de deken over me kuif, want het is precies kraantje-lek op me voorhoofd. Vergeet het niet, Blauwbaard: twee sigaren. Anders rammel ik morgennacht je hoofd van je romp.’
Nu werd het stil.
Ook het onweer zakte af. Alleen nog een enkele keer huiverde violetlicht door het zolderkamertje. En dan zag hij achterin het vlammen nog eens in het blikken spiegeltje, dat net als een raampje, waarvan het gordijntje op en neer werd getrokken, was - en je zag ook een witte kleine pop aan een zwart kruisje. Dat was, had moeder hem verteld, de zoon van onze lieve Heer, die ze doodgestoken hadden.
Zich stevig in zijn eigen deken inrollend, blij dat er twee in
182