dreunde een donderslag, dat de waterkan in de witte kom op het wasstel als een wekkertje af scheen te lopen.
‘Je stond daar in je flanel precies as een danseuse,’ lachte de vrolijke stem weer.
‘En ik verdom het!’ drensde de wrokkige andere. ‘Ik mot me nachtrust - ik heb me een ongeluk gesappeld, drijf tot op me hemd, en ga niet kruipen in een ondergelopen nest. Doe jij het dan, as je zo’n brani bent!’
‘Mijn me zorg,’ lachte de eerste weer. ‘Vooruit! Oversteken met vlooien en al.’
Dan deed het onweer de pannen weer klapperen. De regen striemde zo wild of de wind de kruinen van al de bomen in het park heen en weer zwiepte.
‘Dat is beter,’ snauwgromde de ene stem weer. ‘Dat is tenminste een droog stuk matras ik leg...’
‘Je mot niet leggen zeggen - leggen doen de kippen,’ praatte de andere stem: ‘Zo nou hoos ik met me schoen. En nou draai ik het matras om. En nou sleep ik me kooi van onder de lekstralen uit. Ready? Go! Nacht gezegende broeder. Nacht Gerrit.’
‘Dag!’ klonk het stug.
‘Ken je niet met twee woorden praten, Gerritje?’
‘Stik!’
‘Dag Blauwbaard.’
‘Hou je flauwsies voor je, Ko! Ik barst van moeheid!’ ‘Nacht, geliefde. As je me morgen hier niet vindt ben ik de trap af gedreven. Ik heb vergeten een zwembroek an te doen. Ben benieuwd hoe me tante er uitziet...’
‘Hou nou verdomme je kop dicht.’
‘Dat ken ik niet. Er is boven in de hemel grote schoonmaak. Ze smijten met de ladders van de glazenwasserij dat het een schandaal voor de buurt is. Hé! Hé! Ken het niet wat zachter? En mot je nou met alle geweld putsen met water op de mensen d’r nakende boddie laten vallen? Hoe heet dat neefie van me? Ik vraag, Gerrit, hoe dat neefie met zijn manke poot hiet?’
Toen zei een zachte kinderstem in het donker: ‘Ik heet Koert, net as me vader.’
‘Hahaha!’ bulderlachte neef Ko. ‘As ik nou begreep waar die stem met die baard in zijn keel vandaan kwam: lag je al die tijd wakker?’
181