Met een schrik plonsde hij overeind. De hele zolderkamer stond een ogenblik in lichtelaaie. De balken, de houten beschotten, de kleren aan de haken, alles geulde op in een felkletsende plas, en het knalde boven het dak, het hagelde, het gierhuüde, het kermde zo razend, dat hij in zijn verlatenheid, het zolderkamertje met nog twee bedden, nu toch zeker niet herkennend, ineens hardop begon te gillen. Maar ze hoorden hem niet. Ze waren er vandoor met zijn zusje. Toen, op het punt, het bed uit te vliegen, hoorde hij stappen op de trap, gromden twee stemmen zijn kant uit. Het dek krampte over zijn hoofd, de hitte gutste zijn lichaam langs.
‘Suscht! Zachies!’ zei de ene stem. ‘Alles slaapt.’
‘Verroest,’ zei de andere stem. ‘Het heb hier gespookt. De bedden zijn van hun plaats af.’
‘Heb jij lucifers?’
‘Voor wat heb je lucifers nodig? Ze strijken boven lucifers zat af.’
‘Er staat hier nog een bed.’
‘Dat is al zijn leven de kleine schreeuwer. Daar leit zijn goed op de stoel. Ik ben nat tot op me botten. Je ken me uitwringen. Verroest!’
‘Wat scharrel jij toch?’
‘Me bed staat blank.’
‘Heb het zo ingeregend?’
‘Het loopt er nog met stralen in.’
‘Dan ken je d’r goudvissies in laten zwemmen.’
Dan waren de stemmen weer weg, want het onweer loeide zo om het huis, dat je geen woord kon verstaan.
‘Dat verdom ik - hier ken ik niet slapen.’
‘Als je een paraplu in je handen houdt, leg je zo veilig as in de kerk.’
‘Wie betaalt je voor de grappen? As ze mijn bed daar hadden laten staan, had me niks kennen gebeuren. Ik voel d’r alles voor dat ledikantje op te nemen en het in de schuur bij de geit en het varken te zetten.’
‘Nou mot jij verdorie nog met een been in bed stappen, omdat je er nog niet uit ben geweest, en je doet het nou al verkeerd.’
‘Hè!’
Er flapte een blauwviolet licht onder de hanebalken - er
180