haar hoofd om de bijtende vlammen niet te zien. En Koertje deed hetzelfde. Eerst had hij zijn oogleden zo stevig dichtgeknepen, dat hij geen spleetje meer zag, toen boorde hij zijn duimen in zijn oren. Zo, in die houding van toch fijn slapen, had vader hem zien liggen. Maar al telde je telkens weer van een tot honderd, ze maakten in de wolken zo’n spektakel, en je werd zo getreiterd door het licht, dat erop loerde of het niet tussen je wimperhaartjes een open plekje vond, dat je hoe langer hoe wakkerder werd. Met het dek over zijn zwetende haarstoppels lag hij te tobben waar hij was. In zijn bed. Dat was zeker. Want als je je linkerhand langs de houten spijlers bewoog, voelde je het oogje, waaraan véél vroeger het stootkussen gezeten had, toen hij nog zo klein was, dat hij wilde staan en telkens weer omviel. En dat bed stond bij tante Toos. Ze hadden in de trein gezeten, en boterhammen met worst, en velletjes eraan, gebikt. Of had hij het zo maar gedroomd? Bij het weerlichten, nu het niet meer zo hard donderde, zag hij het tuimelraam, vlak bij het nest van Peerie en Meerie, met de staaf voor de gaatjes. Dan was hij toch nog thuis. Dan lag hij op zolder, hadden ze al zijn leven vergeten hem mee te nemen, of hadden ze hem bij vergissing aan het koopmannetje met de knobbel in zijn nek en het walmend papieren sigarenpijpje, die de meubels gekocht had, meegegeven. Nu kwam het uitdragertje met de slijmerigslapende oogjes bij hem onder de dekens en blies een kringetje langs zijn ingezakt neusbeen, en wreef zijn borstrok tussen zijn wijsvinger en duim, zoals hij het met de gordijnstof gedaan had en zei: ‘Geen daalder waard, niks voor mijn, niks voor mijn,’ en dan sleepte hij de mooie linnenkast langs de treden van de trap, dat je de planken van binnen op elkaar hoorde vallen en de poten bonkten en trommelden, bar. Hoor nu es aan, hoe die met de tafel en de stoelen tekeer ging. Daar kwamen ongelukken van. ‘Gaat u maar op mijn mg of op een van mijn kringetjes zitten,’ zei de uitdrager en geeuwde of hij een lampeglas tegen zijn mond hield. Pas op, zei hij, de linnenkast schiet uit de lus - kraaaak! — aan gruzelementen. Dat ken met me kringetjes niet gebeuren. Die bennen zo taai as gomballetjes, die tussen je kiezen plakken. Hou je vast, jongeheer. Nou zal ik een kringetje voor u blazen. Allebei je handen. Goed zo. Kraaak! Kraaak!
179