knokelvingers lagen zo om de hengsels geknoopt, of ze wilde zeggen: je blijft er van af. Tegenover haar pruimde een man met een blauw overhemd en een zwart dasje, en die boog bij elke station uit het raampje en spuwde de treeplank vol. ‘Dan komen ze niet binnen/ zei hij, ‘dat doe ik toesjoer as ik niet as haring in een ton wil zitten.’ Maar in Utrecht hielp dat niet meer. Daar waren ze niet vies van pruimesap. Daar liep de coupé vol, kreeg je het benauwd van de stank. ‘Mag-gen we een beetje spuien?’ vroeg moeder, die bang was voor het kleine zusje. En toen tochtte het lekker, en stof kwam er niet binnen, want zo toen de trein van onder de stationskap uit was, werd de lucht bruin en zwart, zag je gele donderkoppen en als het groenigwit weerlichtte, hoorde je lekker niks van de slagen, omdat de trein véél meer spektakel maakte.
‘Ik heb het es bijgewoond,’ zei een meneer, die met twee anderen samen, op het plat van een koffertje, gekleurde prentjes smeet, en als ze er geen meer in hun handen hadden, ze bij elkaar klutste en er ieder gelijkop van uitdeelde, om ze dan weer op het koffertje te kwakken, ‘ik heb het voor jaren meegemaakt, dat de bliksem in de trein sloeg, en dat de machinist op slag dood bleef. As er geen stoker op de lo-komotief was geweest zouden we door zijn gerejen tot misschien in het hartje van Duitsland.’ - ‘Hè! Jessis!’ schrok de oude boerin, de karbies naar zich toetrekkend, omdat de halfdonkere coupé ineens zo naakt-van-licht werd of een lamp op werd gedraaid. En nu rommelde het ook zo hard, of er kisten van driehoog uit een zolderluik werden gesmeten. ‘Dat is ingeslagen!’, zei de man met het blauwe overhemd en omdat hij geen trek had zich buiten het raampje te laten natregenen, spuwde hij met een kronkelstraaltje op de vloer van de wagen. - ‘Troef! Troef! Troef!’ schreeuwde de meneer van de prentjes, en terwijl buiten een rij huizen in het troebelblauw, zo bleek of ze bang voor onweer waren, met het wit van hun raamogen knipperden, lachte de meneer zo schaterend, dat je geen donderslag hoorde. Vader had hem nu op zijn schoot genomen,en zijn jas om hem heengeslagen voor het inregenen, en omdat hij zo heerlijk lag te doezelen sliep hij net als een heel, heel klein dreumesje in. Het tikken van het gouden remontoir, dat je door het vest heen hoorde, had hem in slaap gezongen. Wakker werd hij
174