25
Het was met twee kinderen en een hoop rommel om mee te sjouwen geen doen geweest om de vroegtrein te halen, en toen ze dachten klaar te zijn, waren er toch nog een niet voorziene massa akkevietjes — moest vader in de dakgoot voor de antennedraden - moest moeder er op uit voor eten in de trein, omdat je anders dood-gehongerd aankwam, en tante Toos dan wat raar zou opkijken - moest vader de krammen en draadnagels uit het behang trekken en de sleutels aan de timmerman, die de huurcenten kwam beuren, brengen - moest moeder met een oude veger, die ze de opvolgers cadeau deed, een veger als de kop van jut met een sik en twee afgebeten eindjes snor, de papierpropjes en stofnesten uit hoeken en gaten bij elkaar flodderen - als je de verdieping niet redderde vóór je verkastte, zouden ze er grote bekken over opzetten — moest vader de roestige vullisemmer, waar je aan alle kanten doorheen kon knikkeren, en die óók niet naar Heerlen mee werd genomen - tante Toos had er minstens drie - stiekem in de gracht gaan lozen, maar omdat een smeris naar jongens, die met niemandal aan wilden baden, stond te loeren, kwam hij er weer mee terug, en omdat het merakel van beneden niet thuis was, liet hij de vullisbak aan een lijntje naast de wastobbe op het plaatsje zakken met een papier erboven op: Soevenier van die u groeten!!! en toen moest hij zo lachen, dat hij zijn hoofd tegen het keukenraam stootte, en zo paars werd als de verj aarsballon, die wel kleiner geworden was, maar toch aan het touwtje bleef trekken, om de lucht in te schieten. ‘Schat,’ zei moeder, die eerst mee had geschaterd, ‘daar krijg je last mee! Haal hem er weer vandaan!’ -‘Goeie,’ zei vader, ‘maar dan moet jij mij door het raam laten zakken, anders ken ik er niet bij.’ En bij het wachten op de kruier, die de mand en de pakjes en vaders ra-diodoos naar het station zou brengen, zat moeder onrustig met Magdaleentje op haar schoot, en ze schrok bij elk geluid onder het venster, omdat ze bang was voor heibel met de benedenbuurvrouw, als die de verrassing naast haar sopje vond.
‘Laten we nou gaan, vader!’ dwong het kind net als in het politiebureau, ‘als de trein weg is, moeten we lopen!’
170