erin waren gekomen, zei Koertje, die lekker op de toonbank, vlak bij het loket zat: ‘De poes van bene jen heb ermee gesold. Het is nommero 2606 van vader zijn gouwen horlosie.’ ‘Dat heb zo’n kind nou voor maanden ééns gehoord, en dat heb hij onthouwen. Je begrijpt het gewoon niet,’ zei de electriciën, lekkertjes trots tot een dame naast hem die hat. vorken, messen en lepels, van alles twaalf, terug kwam halen, en eigenlijk niet gezien wilde worden. Dan met een hartklopping van plezier, trok hij het horloge uit het zeemleren foedraaltje, wreef het langs zijn mouw, sneed er het belabberd nummer 2606 af, en toen hij het opgewonden had, Het hij de jongen luisteren, die bij het kittig rikke-tikke, rikke-tikke, het snuit van een fijnproever kreeg, en weer op vaders arm als een koning, met het afleggerhorloge, dat hij zolang mocht vasthouden, zat door te slaan.
Zo, toen ze bij moeder in de verhuisherrie terug waren, maar ook subiet, keek de electriciën op zijn remontoir, en zei: ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet - wat zie je dam?’
Maar moeder, enkel gebiologeerd door haar jongen met de over de ogen hangende pet, zei teleurgesteld: ‘Wie heb dat kind zijn Heve hoofd zo mishandeld. Wat ziet die schat er uit! Hoe kon je dat doen, net de eerste dag dat hij op straat komt. Als hij nou kou vat?’
‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet,’ hield de electriciën teleurgesteld vol - en eerst toen - gompie, gompie! - zag moeder de gouden kast, en die moest ze open knippen om te zien of de letters er nog in stonden, en toen moest Koertje meelezen, en die zei met een wijs gezichtje, of hij het heus letter voor letter spelde: ‘Voor vader bij de geboorte van zijn zoon Koert.’
Die nacht sHepen ze allemaal op de grond, ook het zusje, omdat de beddenboel en de wieg al door de kruier weg waren gehaald. Moeder lag met de schreeuwhannes achterin - hij met vader aan de deurkant. Raar hoor. Je deed geen oog toe, en niezen als je moest, of ze met een veer in je neus kriewelden. ‘Zie je nou?’ verweet moeder zachtjes, ‘had zijn haar nou niet...’
En toen gaf ze, net als tante Toos het de vorige nacht gedaan had, een gil, want er Hep een harige muis over het kermisbed. Voorzichtig streek vader lucifertjes af, maar daar bleef Piep-zei-de-muis-in-het-voorhuis niet naar kijken.
169