Droomkoninkje

Titel
Droomkoninkje

Jaar
1924

Druk
1983

Overig
9ed 1983

Pagina's
258



een plasregen geweest waren, en niet meer wilden glimmen, bezig was, en toen spoot hij uit een fles met een elastieken bal, en dat rook zoals de azijn en de venkel van gemarineerde haring.

‘Je moeder zal je niet herkennen, schat van me,’ zei vader, die nu met bakkersmeel volgestoven werd, en uit een flakon met slaolie een scheut op zijn haar en zijn snor kreeg.

Nu zag hij zichzelf ook een, twee, driemaal in de spiegels en dacht, wat zie ik er as een geplukte, afgebrande kip uit, en wat zijn me oren groot geworden.

‘Klaar, jongeheer,’ zei het maatje, de witte japon wegtrekkend, en met een bezem begon hij de plokjes haar van de vloer in een hoek, waar er van alle soorten lag, bij elkaar te boenderen! Zonde hoor, dat het allemaal voor niks groeide, dat de mensen hun best deden het lang te laten worden, dat je de pee in had als je met een spiernaakte kop moest rond-, dartelen, en dat je naar de haarsnijder liep, om het als vul-les bij mekaar te laten vegen. Er lag van alles in het hoekje onder de trap, waar de barbier het sekuur bewaarde om het per onsjes voor valse vlechtjes te verkopen. Er was een man met wit haar geweest - een man: vrouwen Heten zich niet knippen - en een met stoppels zo rood als een biet - en een met pikzwart kroes, vol kurketrekkertjes - en een hoopje bruine, maar dat kon je zo goed niet meer onderscheiden, want dat lag door elkaar heen gemoesd met de watten voor de nekharen. Nu kwamen zijn blonde einden op de witte te liggen - vies hoor! - als er maar geen levend bezoek bij was - ofschoon je dat niks kon schelen, nu je ze toch niet meer op je hoofd terugkreeg. Verdorie, wat een flodderhiel: nu kwam een klein wit poesje, zeker pas van moeders borst af, en die sprong met vier poten tegelijk en met een rug als een korsetbalein, de stoffer van het maatje na, en toen ineens midden in het bergje witte, rode, zwarte en bruine haren, die hij begon weg te graven, of hij de kattebak voor zich had. ‘Wat zit je te kijken, mannetje met je kale knikker?’ plaagde vader, die klaar was, en enkel nog liep met een zeepkwak in het haréngrotje van zijn ene oor. Omdat hij niet praten kon met de vreemden erbij, knikte het kind naar de zij van het witte poesje, dat een stukje watten als een muis achterna holde.

‘Heb je van honderd gulden terug?’ vroeg vader toen aan

166

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.