hier, maar ik snap niet... En dat doe jij net zö min. Of...?’ ‘Ze hebben aan de overzij,’ gromde het weer bij zijn oor, ‘een schrijfmachien - ik zeg dat die inbraak gefingeerd is geweest.’
‘Zozo/ kraakte de stem. ‘Nou we zullen zien. Je wordt bedankt. Of wil je het briefje ook deponeren?’
‘Het nommer wel, het briefie niet,’ zei vader.
Eerst toen ze weer zeker buiten waren, de hete zon hem goeiendag zei, durfde hij op te kijken, klaterde de jongensstem er op los.
‘Wou hij de centen van je hebben, vader? Nog al wiedes dat je hem op zijn vessie gespuugd heb. Wat een brani, hè? met die barst in zijn keel. Hij docht zeker, as hij me het briefie geeft, ga ik zelf mooi weer spelen! Ik wou net me tong tegen hem uitsteken, en net tegen hem zeggen: blaf maar as een hond met twee staarten, mijn vader heb de centen nodig voor moeders nieuwe jurk en voor een hoepel voor mijn. Krijg ik een ijzeren hoepel, grote broer. Je zou voor me jaardag...’
‘Je krijgt een hoepel, as je voet weer helemaal beter is,’ glimlachte de man, hijgend in de benauwende warmte van de zomermiddag. ‘Jongen-jongen, ben jij nou heus zo zwaar geworden, of ik zo slap? Ziezo, nou laat vader zich scheren, en kan meteen jouw haar es lekker geknipt worden, want je heb een hoofd as een versleten ragebol gekregen.’
Nu zat vader voor de spiegel in de barbierswinkel, en omdat er aan de andere kant nóg een spiegel was, zag je hem een, twee, drie, vier, vijfmaal, dan in zijn gezicht, dan met zijn achterhoofd, en al die hoofden lachten telkens als je hem aankeek, tot je door de klodders zeep geen mond en geen neusgaten meer zag. Terwijl kreeg hij zelf een lange witte japon om zijn schouders, knoopte het barbiersmaatje, dat anders inzeepte, de punten en legde een eind watten voor de krieweling van de haren rond zijn nek.
‘Mot het erg kort?’ vroeg het maatje, die neusgaten had, of hij er aldoor groene erwten instopte - je keek, als je onder hem zat, zijn hoofd binnen - en een sproeten als hij had - je zag haast geen haar meer.
‘Met de tundeuze nommero drie/ zei de barbier en vader knikte dat het goed was.
Blij dat hem niks met de machine kon gebeuren - scheren
164