bel in zijn nek - uit het pijpje, dat hij tussen zijn bruinge-sausde lippen geschroefd hield, plofte dikgele rook, en hoe hij het deed was een wonder - hij liet het ene rookkringetje na het ander naar het raam trekken — en kringetjes blazen was verschrikkelijk moeilijk. Dan had hij midden in zijn neusbeen een rare verzakking, of iemand erop gevallen was, en de plof erin was blijven hangen - het was verdorie nog toe enkel een punt, die als een met haren begroeid platje boven de kortafgeknipte snorstoppels uitwipte. Sloot hij zijn ogen in verveling, als hem het onderhandelen over zo’n negotie van het jaar nul dik de keel uithing, dan zag je het neusdobbertje tussen de haarsprieten en het verwriemeld wier, of er een simmetje tussen het riet en het kroos van het slootje bij de boerderij achter de huizen dreef en ieder ogenblik een gulzig bliekje aan het snoertje zou trekken.
‘Het zeil en de gordijnen en de tafels met de stoelen en die echte klok met scheepjes, en slagwerk om het kwartier...’ begon vader op te noemen, maar de brutale trok met het wit van zijn ogen, pufte een reuzekring weg, die door het open raam dreef, en toen nog niet eens barstte, en zei:
‘Wat is er voor echts an die klok? Duitse frottigkat. Geen daalder waard.’
Vader keek hem woedend aan, maar het koopmannetje deed de luikjes dicht voor zijn ogen, of hij bang was, dat zijn fletse oogjes zouden verschieten, of dat er een van de met elkaar op de ruit krijgertje spelende vliegjes op de slaap in zijn ogen, die er nu nog inzat, zou plakken. Als die een zoontje heb, dacht Koertje, dan zal hij van zo’n gezicht as een gootsteenboender wel zo vies wezen, dat hij zijn vader nooit een pakker zal geven, as ik het de mijne doe!
‘As u honderd gulden geeft,’ zei moeder, terwijl vader zijn bezeerde nagel weer in zijn mond stak.
‘Honderd? Honderdvijftig!’ verbeterde de electriciën haastig - wat had het hun niet allemaal nieuw gekost.
‘Of u nou honderd en u honderdvijftig zeit,’ geeuwde de koopman, en het smeulend pijpje viel haast uit zijn mond, ‘ik zou er geen roezie om krijgen, want ik geef in de roest niet meer as veertig - en as je mekaar lang ankijkt wordt het dertig of minder. Niks voor mijn.’
‘Wel allemachtig,’ zette de electriciën warmlopend in. ‘Denk je dat ik er met stelen angekommen ben?’
*59