was. En als ze dat deed, voelde je geen pijn meer.
‘Zal ik er ook een zoen op geven?’ vroeg de kinderstem. En toen hij de vijf vingers afgezocht had, en het haast onzichtbare rode plekje onder de nagel gevonden, zei hij, zijn vader met zijn grote blauwe ogen aankijkend: ‘Nou krijg je er twee van mijn, omdat je niet gehuild heb, maar je mag moeder niet boos ankijken, as de hamer het doet.’
‘Ik zal het nooit meer...’ lachte de man, weer met spijt over zijn uitval.
‘En je mot niet Néééé roepen, as moeder wil kijken of je je erg pijn heb gedaan.’
‘Nooit meer/ lachte de man, het kinderbolletje met de uitstaande haarsprieten, dat het ventje ouder leek te maken, tegen zich aandrukkend.
‘En je mag ook niet op je ongewassen vinger zuigen. Dan wor je zo klein as me zussie. Heb je moeder al vergiffenis gevraagd, dat je haar weer verdriet heb gedaan? Wil je dat dan wel es gauw doen?’
Maar zingen deed de man in het eerste uur niet, want met vergiffenis vragen gaat pijn niet helemaal weg, en het trok hem tot boven aan zijn schouder toe. En dan — hoe harder ze werkten, hoe ongezelliger het woninkje er begon uit te zien. Ze dronken koffie zittend op kisten en manden, en omdat de lepeltjes al lang ergens onderaan lagen, mocht je met je vinger roeren, om de suiker op te diepen. Toen kwam de koopman uit de zijstraat, die vader was wezen waarschuwen, omdat het vervoer van de grote stukken haast nog meer zou kosten, dan de boel waard was, en dan ging je niet op de schobberdebonk, zonder een cent op zak, of je zou Toos nog meer te leen moeten vragen, op reis. Vader had zich bergen gedroomd en het kleine koopmannetje keek enkel, of het hem alles de keel uithing, naar de hoogopgetrokken gordijnballetjes.
Het kereltje, teruggeschrompeld in zijn stoel, met de door hem ingepakte doos op zijn schoot, zei weer geen woord, bang als hij was voor het koopmannetje, dat aan vader met slaperige oogjes, zulke brutale antwoorden gaf, dat je voelde hoe vader zich nijdig maakte.
‘Wat geeft u dan?’ zei vader.
‘Zeg u het! Waarom zal ik het zeggen?’ zei de koopman. Zijn hoed stond schuin van zijn wenkbrauwen naar een knob
158