zeuren, Riek, as ik met me werk bezig ben.’ Zijn zwarte vinger stak hij in zijn mond en zoog erop, en trappelde van pijn, zo als de nagel op de vingertop gloeide en stak, en nijdig kijken als hij deed!
‘Waarom kijk je moeder nou boos an?’ vroeg Koertje, als kleine vredestichter, ‘moeder heb het toch niet gedaan?’ Kleine of grote vredestichter: een man die een bloedballein onder de nagel van zijn linker wijsvinger, vers van de ha-mertik heeft gekregen, is zelden in een beminnelijke, evenwichtige stemming. ‘Bemoei jij je er niet mee,’ zei de grote Koert tegen de kleine, die net bezig was een rozekrans, uit moeders nachtkast gegrepen, in watten, waarvan moeder propjes voor de vissen in Magdaleentjes neusje draaide, en in een pakje verbandzwachtel, dat ineens afrolde en er nu als de staart van een vlieger bijbungelde, in te wikkelen. ‘As ik tegen je moeder spreek, hoef jij er je neus niet in te steken!’ En met een vuurrood hoofd bezoog de electriciën weer de wijs vingertop, die er, op het gevoel in zijn mond, bij leek te hangen.
‘Moeder heb er toch geen schuld an,’ hield het kereltje vol. ‘Ze praatte wat lief tegen je. Dat heb die smerige hamer gedaan...’
‘Hou je mond!’ gromde de man ongenoeglijk.
‘Zal ik er es na kijken?’ vroeg moeder geduldig.
‘Néééé!’ haalde de electriciën kwaadaardig uit, en zijn stem sloeg van onredelijkheid in falset over, terwijl hij zo nijdig het vloerzeil bestampte, dat een houtspaander als een mals-geraakte pinkel omhoog veerde en tegen de au-zeggende ruit opvloog. Dat gaf een stilte, waarin moeder van de onhebbelijke spaander naar de driftkop en van de driftkop naar de verschrikte kinderogen keek.
‘Ben ik nou zo boos geweest, toen ik het hete water over me voet kreeg?’ verweet het jong. ‘Ik vin je niks aardig hoor!’ En gebelgd op zijn manier ging hij naar buiten zitten kijken. Dat kon de man niet goed hebben. Eerst liep hij met zijn vinger en de hamerdeuk in de nagel naar de kraan, en toen het lekker-koele water het kloppen wat bedaarde, kwam hij in de rommelkamer terug.
‘Mag ik es kijken?’ vroeg moeder, die al aan zijn gezicht zag, dat het pijn-onweertje voorbij was. Nu mocht ze. En ze gaf vader een zoen boven op de plek, waar het aangekomen
15 7