gesloten. Dan weer stond vader over een kist gebogen en trok er de kromme spijkers uit - hij had een hamer, zoals er geen tweede bestond, waarmee je de draadnagels, die als wurmen weg waren gekropen, op hun test tikte en ze dan ineens als een zere kies trok - dan weer lag hij op zijn knie-en en mepte ze zo recht als een lucifer, zonder een bochtje er in. Alleen werd de drempel, waarop hij ze de lenden plette, als een zeef vol spikkelgaten.
‘Je denkt dat je niemedal heb,’ zei moeder, die schone kranten in een kist had gelegd, en de stapeltjes nog es perste en mangelde voor ze ze in de vierkante buik loosde, ‘maar als je eenmaal begint, weet je niet hoe je de rommel kwijt mot raken. Ik krijg het nooit allemaal gepakt...’
‘Ik versta geen woord,’ zei vader. ‘Ik kan niet spijkeren en luisteren,’ en dan smeerde hij hem weer naar het zoldertje, waar de kisten, koffers en manden, jarenlang achter het handig-geprutst beschotje verborgen waren geweest.
‘Mag ik meehelpen, moeder? Ik verveel me zo.’
‘Daar dan,’ zei moeder, om van het gesoebat af te zijn. ‘Maar je komt niet van je stoel af, schat. Hier heb je een grote doos en ouwe kranten. Pak jij nou je eigen speelgoed in.’
Dat vond hij heerlijk. De verfdoos ging in eindeloze brokken papier, of hij met een Sinterklaassurprise bezig was, en de muis, die hij eerst nog een paar keer op het kozijn liet kuieren, en de Piet roetpop, en al het andere speelgoed binnen zijn bereik en de prentenboeken en het theekopje, dat hij leeg had gedronken en het suikerlepeltje. Nu moest maar alles in de doos. Dan hielp hij ze goed. En toen moeder even niet oplette, trok hij de kleine la van het nachtkastje open, en er lag geen ding zo gek, of hij ruimde er een plaatsje voor in de witte doos.
‘Ik dank God,’ zei moeder toen weer tegen vader, ‘dat we uit deze ongelukswoning weggaan - ik ben dolblij dat ik er twee kinderen gekregen heb, maar anders was het in de laatste tijden niks as narigheid. Dé&r ga je tenminste je brood dubbel en dwars verdienen, meer as je hier ooit had kenne halen, wat man?’
‘Verroest,’ viel vader driftig uit, want nou had hij wat hem nog nooit in zijn leven gebeurd was, met de glimmende hamer op zijn eigen nagel getikt. ‘Je moet ook niet an me kop
156