wilde beginnen te blèren, keek hij sip voor zich uit, bang voor de stille ogen van moeder, die hem zo dikwijls verboden had het zuigelingetje op te nemen, of zijn eten met haar te delen.
‘Nou, Koert?’ vroeg tante Toos, na een ogenblik van rare stilte. ‘Ik geloof, dat je er je bekomst an kan hebben. Misschien ontmoet jij die inbreker nog wel es, die het paneel met zijn schoen gerenuweerd heb, en je slapende wurmen op heb geschrikt ... Dan heb jij meer as een uur in de piepzak op zolder gezeten, lief ie. Kom es hier: ik vin jou een grote, een schattig lieve jongen - en ik begrijp er alleen geen sikkepit van dat ik niks van die stuipekopdrift sunjeur, die zijn ogen uit zijn kop most schamen, om zo de wildeman uit te hangen, gehoord noch gezien heb - je zal het gedroomd hebben, schat,’ - en ze gaf hem een kus met haar stekeltjeslippen, en keek over het bolletje van het kind de schuldige aan - of ze het lekker gezegd had, zonder dat de jongen het had kunnen begrijpen.
‘Gedroomd?’ praatte het kereltje haar in dadelijke verwondering na. ‘Hoe ken dat?’ - zijn handje wreef ongegeneerd over de plek van zijn voorhoofd, waar tante geliefkoosd had — ‘As je van iets droomt, bestaat het niet, wat vader? enne as ik gedroomd had, zou de deur niet kapot wezen, zou het vaas-sie niet in stukken leggen, zou...’
Of hij plots iets doorzag, nu hij vaders hoed op de grond zag liggen met een lelijke deuk er in - een deuk in de zondagse hoed! - nu tante haar kin zat te bestrijken, en met een ko-miekig pruimemondje de grootste scherf van de vaas, naast haar stoelpoot zat te bemijmeren - en moeder, met haar oude glimlach haar ogen niet van vader afhield - en vader zelf, die geen vuur uit de natte lucifers kon schrapen, en een hele verzameling rode houtjes, zonder gele kop, in zijn linker hand kreeg, eindelijk verlegen-vrolijk floot, zoals hij wel meer deed, eds hij ondeugend geweest was, het eerlijk wilde bekennen, en op zijn stoel draaide, - of hij dat allemaal begon te snappen, hield hij ineens zijn ratelmondje, en omdat hij vader, als die ermee gemoeid was, niet wilde verraden, hinkte hij met grote angstige ogen op de man met het ver-kauwd eindje sigaar en de stakende lucifers toe, en zich op de grote knie nestelend, vroeg hij nóg zachter dan vader straks bij zijn oor gefluisterd had: ‘Grote broer, heb jij het
153