‘Toen lag Keesebees in het holletje te spinnen, enne toen lag ik ook fijn, maar toen ineens wier er tegen de huiskamerdeur gebonsd, zat ik op in me bed van de schrik, enne toen - heus, grote broer, ik jok niet! - hoorde ik de inbreker van de overzij - die trapte met zijn schoenen de deur kapot - kijk maar: de spaanders leggen er nog - enne die smeet een van de vaassies op de grond - zie je nou wel, tante: vlak bij je stoel - enne die hoorde ik de tafel omgooien - enne wat tegen de muur met de portretjes keilen - enne toen smeet hij het raam zo rikketik in de hoogte, dat de gewichten rammelden - enne toen gooide een andere dief de deur dicht - enne stongen ze met d’r voeten te trappen - enne was er een, die zo verschrikkelijk as een hond gromde - óf ze hadden een hond meegebracht - nou, toen dacht ik: as ze alles uit de huiskamer gemoerd hebben, kommen ze in de slaapkamer - enne dan gappen ze mijn en me zuster ook, om ons an de spullemensen van de woonwagens te verkopen - enne toen heb ik me zuster haasjereppie in haar onderlegger gerold, enne ben er de trap na boven mee opgelopen. Haast hadden ze ons te pakken, vader, want net toen ik op me tenen over de brokkies hout na boven was, smeet er een de deur open, enne die moest zeker zijn eigen in de keuken gaan wassen van het bloed aan zijn handen — enne toen staken ze de boel in brand, want het begon te roken en te smeulen en te stinken, dat ik eerst met me zuster op het dak wou klimmen, maar ik kon er met haar niet door - enne em alleen op zolder achterlaten wou ik ook niet. Toen heb ik me zuster op de grond in haar onderlegger geleid en de dot in haar mond gestopt, dat ze niet schreeuwen zou, want dan waren we gepiept - enne toen heb ik de tafel en de stoel zo sekuur op het luik geleid, dat ze er niet binnen konden kommen. Enne toen ben ik er zelf ook op gaan zitten. Is dat, verdorie, nou zo bretaal van me, om me zuster niet te laten stelen door een vuile smiecht, die de deur stuk-trapt en een vaassie breekt, as die weet dat we alleen, net as de zeven geitjes, thuis zijn?’
Klaar met zijn verhaal, waarbij hij niemendal zei van zijn angst bij de geluiden in het huis, niks van de weer ergere pijn in zijn voet, niks van het lange geduldige wiegen van Magdaleentje in zijn vermoeide armen, boven op het luik, omdat dat nare schaap, dat enkel aan zichzelf dacht, telkens
152