waren, met zwaaimeppen yan haar hand met de ingeroeste ring verschuierend, ‘wier je voor je verjaardag op een extra pak rammel getrakteerd! Jij komt op die manier in het tuchthuis terecht, as je net as een aap met een jong, waarop je geen recht heb, in de bomen gaat klauteren.’
Toen, bleu en verlegen, kleingeknauwd door de dracht der verwijten, terwijl hij zo vreselijk goed had menen te doen, snikte het bleke kereltje het uit, en dat snikken werd nog sterker, toen vader, zich de jaardag herinnerend, hem troostend in zijn armen nam, en hem zo zachtjes dat noch moeder, noch tante het horen konden, lieve dingetjes, vlakbij zijn oor zei.
‘Gos Koert!’ kwam tante wrokkig los. ‘Wat verwen jij een jongen, die de brutaliteit heb zijn zussie uit haar wieg te lichten, en haar mee na zolder te hinken - je ken nog niet eens hinken zeggen, met één voet in de windselen! As hij de eerste keer met zijn vingers van de heetwaterkruik af was gebleven, had hij jullie een boel bespaard. En nou met een wurm van een zuigeling in zijn armen. As hij achterover was geslagen op die akkrebatetrap, had je ze allebei morsdood gevonden! Ik zou hem in de watten leggen! Vaders as jij maken van hun kinderen vullis in de maatschappij...’ ‘Vertel jij nou eens jongen,’ praatte de electriciën, terwijl hij zijn schoonzuster de smoor injoeg, omdat hij haar liet praten, ‘waarom zo’n lieve, verstandige baas as jij, op zulke invallen komt? Was je bang, of was er wat anders? Wij waren toch allemaal thuis.’
‘Nietwaar,’ vertelde het kereltje, en hij had moeite eruit te komen, zoals het hikken hem dwars zat, en zo verongelijkt als hij zich voelde. ‘Ik zee tegen tante, wat ik moest doen as de dief van de overzij hier ook kwam stelen. Enne toen zee zij: niet uit je bed kommen, enne toen heb ik Keesebees me mooie tekeningen van moeder enne van tante enne van het merakel van benejen met haar ene tand laten zien - enne toen zei Keesebees: ga jij maar slapen, want as d’r dieven kommen hoor ik ze al in de verte. Enne toen is tante weggegaan.’
‘Dat jokkie zo groot as je ben,’ viel tante verontwaardigd in de rede. ‘Ik stong an de deur op je vader en moeder te wachten...’
‘Laat hem uit vertellen,’ suste de electriciën, ‘verder kind!’
151: