je een pak voor je broek, dat je er blauw van wier!’
- ‘Dat zit ook nog voor hem in het vet!’ zei de electriciën, ogen, om van te beven opzettend, maar in zijn stem danste de niet te bedwingen blijdschap, dat er geen ongelukken gebeurd waren: Tak jij me dochter an, Toos, dan draag ik de jongen/ - ‘Dat ken ik niet,’ weerde tante het gil-schreeuwend Magdaleentje, dat hij in haar armen wilde leggen, af; ‘ik ben geen akkrebaat van de voorjaarskermis, omdat binnenstebuitengekeerde trappie achteruit af te stuntelen, en vooruit waag ik d’r me gezonde benen en het leven van zo’n wurm niet an.’ - ‘Trek dan je bovenlijf uit het trapgat terug, of moet je er een kurketrekker voor hebben?’ zei vader, die gosgruwelijke moeite had zijn teruggewonnen vrolijkheid, nu zijn maag behoorlijk geladen was, en de grootste ellende geleden leek, zelf niet door de een of andere kwajongensstreek te luchten en haast op tantes vette kluifjes van vingers aanstappend, wipte hij de ongemakkelijke treden van het steektrapje af, riep ‘Van onderen!’ en legde er de drijvende zuigeling op de smetteloze armen van haar goede bloes. Dan de steilte in drie rappe stappen terugbeklimmend, greep hij het kereltje tegen zich aan, en zo deksels-vlug veerde hij met zijn kostelijke vracht omlaag, dat hij tegelijk met tante bij moeder in de huiskamer met de schandalige deur was. Daar werd het een opgewonden vragen en verwijten, en zat Koertje in zijn hansop eerst als een zondaar, die geducht onder handen genomen moest worden, toen als een kleine, pientere held, die zijn vader zo in een hoekje drong, dat de electriciën, beduusd en vernietigd door het kijken van drie paar bestraffende ogen met zijn houding geen raad wist, en telkens nieuwe lucifers met natte koppen tegen een rafelend doosje streek, om een af leidend vlammetje, dat het verdraaide er te komen, bij zijn in de hitte van het geklim langs de daken, verkauwd eindje sigaar te houden.
‘Kind, kind, wat heb je me een verdriet gedaan,’ verweet moeder, haar lippen bebijtend, omdat Magdaleentje, over-gulzig door het lange vasten en het gezuig op tantes lapjes met suiker, als een grondwerker, die zijn prakje tussen de heipalen kreeg, begon te bikken.
‘As ik jouw moeder was,’ dreigde tante Toos, de zweetbob-beltjes van haar gelaatsjukken, of het lastige steekvliegjes
150