bogen tussen de dakglooiing en de dwarslat van het luik, gaf bij het rukken van de jongen niet mee.
‘Ik krijg het er niet af!’ huilde het kereltje, bang voor de aanzwellende schemer, en hij moest het wel schreeuwen, omdat de zuigeling, die in een hoek op een deken lag, zo geweldig bulkte als ze nog nooit had gedaan. Toen kwam vader te hulp. Bij een buurman klom hij over het dak, en omdat de rechercheur het tuimelraam niet op slot had gedaan, gleed hij fijn door het vierkant omlaag.
‘Wat weerlicht, smakker, heb jij uitgehaald?’ vroeg zijn grommend-vertroetelende stem, terwijl het mannetje-met-de-blauwe-ogen in de greep van zijn armen geknuffeld werd. ‘Waarom heb jij jé zusje hier na de zolder gesleept, en wanneer heb jij dat in godsnaam gedaan? Nou? Mocht jij ons allemaal zo ongerust maken? Nou?’
‘Vader,’ zei het kind, met nog in de naschrik opengespalkte ogen, ‘er zijn inbrekers geweest. Het waren slampampers die...’
‘Koert, maak het luik open!’ riep tante Toos, en ze betrom-melde angstig de balk boven haar hoofd. ‘Moet Riek weer een toeval krijgen?’ Dat deed het hem. Dat gaf de doorslag. De jongen op de kleine werkbank zettend, klemde de man zijn stevige knuisten om de tafel, die door de stoel, dezelfde, die hij de morgen van de reis naar Heerlen tegen het beschot had gesmeten, tegengehouden werd. Een poot, van de zitting afgekneld, de hernieuwde mishandeling niet verdragend, stramde als een spalkende wig tussen een dakspint en de koppellat van het luik. Al had je beneden met zijn zessen staan duwen, was je er niet doorgekomen. Maar nu vader met zijn reuzesterke handen eenmaal zag hoe het moest, zei de verroeste stoelepoot kréa&k, net als de huiskamerdeur, toen de inbreker er de spaanders van had laten af vliegen, en het luik, van zijn last ontdaan, werd door de houten gren-delklos vastgegrepen. Tante Toos steunde met haar vette armen op het plankier, net als de turfschipper boven zijn roefje, en met een snuit, waarvan je het onweer met soeplepels kon scheppen - was zij niet de verantwoordelijke geweest, als er iets met de twee gebeurd was? - blafte ze het ventje, dat op de werkbank als een verschrikt marmotje hurkte, met een stem, om bij te bukken af: ‘Naar dier, wat benne dat voor kwaje streken? As je mijn jongen was, kreeac
149