Het kon niet. Het was gekkenwerk. Als er iets gebeurd was zouden ze het gehoord hebben. En plots, door de karning van zijn elkaar overwoelende gedachten, flitste het in de vader op, dat de jongen iets onzinnigs moest uitgehaald hebben. In een bezeten vaart bolderde hij de trap af, wierp de straatdeur open, plompte deze weer dicht, rende omhoog, ook de tweede trap en de zoldertrap op, en zijn schouders onder het luik zettend, probeerde hij het zo als altijd te lichten. De planken kraakten, de trap boog onder zijn koortsige druk - het luik weigerde. De vuist van de man bebeukte het beschot - zijn rug spande, om wat er op de delen rustte weg te duwen, en net toen hij eindelijk met zijn stalen vingers door de spleet kon grijpen, klonk van onder de dakpannen een huilerig-dreigende kinderstem: ‘As je niet weggaat, smerige vuile dief, schiet ik je met mijn vaders geweer hartstikke dood!5 Op een tree van de zoldertrap in-schur-kend, begon de electriciën zo’n zenuwlach uit te bulderen, dat de tranen hem over zijn ongeschoren gezicht biggelden. Het bloed hamerde tegen zijn slapen, zo benauwd als hij het kreeg, en tegelijk, terwijl hij zich vasthield, om niet langs de treden omlaag te glibberen, dacht hij: Goddank, goddank, en nog eens goddank! Toos, op het daver gerucht toegestrompeld, begreep er geen sikkepit van. Die stond hem aan te kijken met een gezicht, of hij op slag stapel geworden was. En moeder, die geen fut had de trap op te klauteren, maar die begreep dat het niet zo verschrikkelijk kon wezen, als daar boven door het dolle heen geschaterd werd, hield zich aan de leuning vast.
‘Wil je wel es gauw...’ bracht de electriciën er eindelijk in nabrokkelende lach uit. ‘Wil je as de weerlicht die rommel Wegnemen, die je op het luik heb gestouwd? Wil jij dat héél gauw?’
‘Ben jij het heus, vader?’
‘Hoor je dat niet, rakker? Mag jij je grote broer zo laten schrikken?’
Boven het luik kwam een kort, moeilijk gestommel en nu hoorde je ook Magdaleentje, die haar fopspeen kwijt was geraakt, erbarmelijk tekeer gaan. Maar het lukte het kind niet zo gemakkelijk de tafel en de stoel en wat hij meer in zijn bereik had gevonden, uit hun beklemming, na vaders gewelddaad, terug te wringen. Een van de stoelpoten, ver
148