doodmoe, dat je een kanon bij zijn bed af kan schieten - as je gegeten heb en uitgerust ben, heb je een hele avond voor
je-’
Op zijn tenen lopend, zo voorzichtig de deurknop omdraaiend, dat het geen piepgeluidje gaf, enkel om de schattej ongen te verrassen, keek de electriciën door de spleet, en floot op de manier, die het kereltje kende — toen schoot hij driftig de slaapkamer in, boog onder het bed en achter de kast, om te zien, waar het kind zich verstopt had, en met een onrust, die zijn hart wild deed krampen en kloppen, sprak hij hees de vrouwen in de keuken, die na het spottende antwoord stil over elkaar waren blijven zitten, toe: ‘Waar is de jongen?’ - ‘De jongen?’ herhaalde Toos, met een gezicht van wie-neem-je-ertussen. Maar tegelijk stond ze al met moeder in de deuropening — en ze keken elkaar dodelijk angstig aan.
Op het laken van het bedje, waarvan het bovendek weggewoeld leek, lagen de mondharmonika, de waterverfdoos, de tekeningen, het potlood, een hele en een kapotte pijp van het bellenblazen, maar Koertje was verdwenen.
De tulen gordijnen staken als gerende zeilen bij de geopende vensters, en met een onderdrukte vloek keek de vader omlaag. Nee, nergens.
22
‘Allemachtigste!’ gierde tante Toos, zo ingehouden krijsend van ontzetting, dat de electriciën, in een razende bestuiping van angst, zijn hoofd binnen het raam trok en met het gevoel of zijn haren verkilden, het achter hem dreigende onheil, met een grimmige balling van zijn vuisten trachtte te ketsen. Moeder, bij de wieg met de nog gesloten gordijnen, in een stoel gekwakt, had het het eerste gezien, zat met paarsbleke mummelende lippen - ook Magdaleentje was weg. ‘Wat sta je? Wat kijk je? Wat zie je?’ vroeg de man, en de woeste drift deed hem snuiven en de kaken spannen. Toen wees Toos, die haar spraak net zo hard kwijt was geraakt, naar het ingedeukt builtje, waar de zuigeling het laatst had gelegen. Ze spraken geen van drie een woord, lamgeslagen als ze waren door dat krankzinnig-onmogelijke.
147