ze zover was, had de electriciën zijn bewusteloze vrouw in de trillende linkerarm geheven, en nu hij de knop te grazen had, bonsde zijn elleboog zo bezeten tegen de betimmering, dat de deur in zijn scharnieren krijste, het erachter staande kastje besmakte en een vaasje aan gruzelementen rinkelde. Het luchtte hem nog niet op. In dezelfde waanzinnige drift-uitbuldering, plompte hij de tafel, die hem in de weg stond van zich af, haakte met zijn voet een leunstoel naar de zij van de schoorsteen, en toen hij er de vrouw, die als een baal begaf, in had laten strijken, en weer de beschikking over zijn twee handen had, keilde hij zijn hoed tegen het behang, dat er met de portretjes van bleef schuddewiegelen, en het venster zo plomp omhoogrukkend, dat de gewichten tegen het kozijn klotsten, smeet hij de gordijnen opzij, en kreunde als een gefolterd dier, om het kraken van zijn adem en het hameren van zijn hart baas te blijven.
‘Allemachtigste, wat is er met me zuster?’ praatte Toos, huilerig-onthutst de geruïneerde deur voor de kinderen sluitend, maar omdat hij het redeloos verdraaide antwoord te geven, als een halvegare gromde, en met een zenuwvoet de maat stond te trappelen, greep ze met vrouwelijke bezorgdheid in, knoopte het goed los, gespte het corset open, en toen dat nog niet dadelijk hielp, haalde ze de azijnflacon uit de buffetkast, en bette de slapen en polsen.
Koert, nu wat bekomen van zijn dollehonden-aanval - zulke mannen moesten niet trouwen! - liep als een grimmige idioot op en neer. Zijn boord had hij afgerukt en omdat hij zijn natte gezicht met roetvingers gedroogd had, had hij zwarte striemen bij zijn ogen en neus, hing zijn haar als een bosduvel, om bang van te worden.
‘Ben ik daarvoor de hele dag op de kinderen blijven passen?’ begon Toos, opgelucht omdat Riek al met haar ogen draaide, te verwijten. ‘Is dat me dank, dat jij geen bek opendoet? Zou jij nou asjeblief willen zeggen, w&t er gebeurd is? Jij trapt deuren in... Jij smijt dure vaassies kapot... Jij hangt de wildeman uit! Ik heb hier gezweet als een otter, en jij behandelt me als schoppezeven.’
Zonder boe of ba te zeggen, opgevreten van zenuwen, geknauwd door wat hem kropte, wild door de tergende vernederingen, kwakte hij de deur open, liep over de houtsplin-ters de gang in, stak zijn gloeiende kop onder de proesting
i4.1i