iets. Dan hdd hij ermee te maken. De politie lichtte de mensen zo maar niet van hun bed en hield ze niet vast als ze geen vullis rook. Was het reizen naar Heerlen geen foefje geweest voor een allebie? En had hij niet meer dan eens aan haar jongens gezegd, dat hij er geen been in zag, om in de mijnen aan het werk te gaan, dat hij net zo lief voor een jaar eenzame opsluiting tekende? Allemachtigste, nu sloeg de klok al zes uur. Dan had de arme Riek zich wat aangedaan. Die was altijd hollen of stilstaan, erop of eronder geweest, en had zich al willen verdoen, toen vader, die het niet overleefde, geen toestemming om met een ketter te trouwen, wilde geven. Moeder Maria, moeder Maria, als ze de hand aan zichzelf had geslagen, en de vader een liederlijke tuchthuisboef was — wat moest zij dan met de twee wurmen?
Toen de panharing lekkertjesbruin op het grauw papier lag te druipen, de hommetjes en kuitjes in de buikjes waren gelegd - de sla met een scheut azijn was aangemaakt — en de aardappels op kook stonden, dekte ze de tafel in de keuken, voor drie grote mensen, net als thuis als ze op de jongens wachtte — en ze schonk de glazen vast vol — en ging aan de buitendeur staan uitkijken. Maar dan was ze ineens weer in een vaart de trap op. Die verrekte poes vertrouwde ze niet bij de panharing. Bij haar geen kans. Handig bukte ze zich over het ledikant, greep hem in zijn nek, en terwijl hij klaaglijk ‘Au-auP zei, zette ze hem met het prakkie haringkoppen en de bloederige graten voor de deur. Dadelijk werd naast-an het raam opgeschoven. ‘Wil u asjeblief,’ zei de schippersvrouw, die hem overal was wezen zoeken, ‘van mijn poes afblijven? Mijn poes lust niet van Jan en alleman. Mijn poes heb uw afval niet nodig!’ - ‘Dan mot u hem aan een touwtje uitlaten en hem huisvredebreuk verbiejen,’ beet tante van zich af, ‘en as hij het niet lust, ken jij er je maal mee doen, wat jij poes?’ - ‘Nouou-ou-ou-ou-ou-ou!’ zei de kater, die wou sussen. Maar dat was bij tante niet nodig. Die had andere dingen aan haar hoofd. Die schoof op naar de rechterzij van de deurpost, en de dampen sloegen haar uit, omdat ze zich telkens verbeeldde, dat er een brancard in de verte aan werd gedragen. Toen, voor het eerst, na de wan-hoopsuren op het terrein van de Domaniale, toen de mijnstutten bezweken en haar man geen daglicht meer zag,
159