ga ik me wassen - ik laat me ruil niet anbakken, zoals jij, en als je je magere bonestaken met je zere voet nou wat wegtrekt, kruip ik in het fijne holletje. Bang hoef je niet meer te zijn, zolang ik op je pas. Ik hoor de dieven al in de verte aankomen, en ik weet ook best wie er an de overzij de lajen gelicht heb, want ik zat voor het raam bene jen, toen ze de centen het huis uitdroegen. Nou, maf ze! Je heb een piekfijn bed, ed kleef ik vast van de stroop, die je gemorst heb.’
Toch veel langer uitgebleven dan ze van plan was, omdat ze de buurt niet zo goed kende, ze het verdijde zich te laten afzetten - en ze in twee winkels had staan blauwbekken, schrok tante een ogenblik, toen ze de nieuwe logée, naast de met het potlood in zijn ene en een stukkie papier in zijn andere hand ingeslapen jongen, zag liggen. Ze bleef op haar kousen lopen, om de kinderen niet wakker te porren, pitte de aardappels, maakte de groente schoon, zoutte en peperde de panharing, die ze met vlugge japen langs de rug-zij opengespleten en ontgraat had. De bakolie in de steelpan was al zo heet dat de blauwe damp er afsloeg, en voor ze de eerste koploze haring in het kokende sop het glijden, legde ze keurigjes oude kranten om het gasstel heen, want het werd anders met het spetten van de olie, een vettige smurrie, waarvan ze niks moest hebben, ook al was het haar huishouden niet. Toch waren al haar bewegingen ongewoon, uit hun verband gerukt, opgejaagd door de zenuwen, die haar nu ook kropten. Ddar kon niemand een kalm hoofd bij houden. Meer dan vier uur uitblijven, God weet waar uithangen en de boel boel laten, - dat deed je niet als je zuster voor jouw plezier over gekomen was, en zelf zat te popelen om weer naar haar jongens terug te gaan. Die zouden natuurlijk in geen zeven sloten gelijk lopen, - die kregen de kost van de buurvrouw, waarmee ze afgesproken had, maar het stak je toch telkens, dat ze ze nog nooit, na de dood van haar man, langer dan de duur van een ochtend- of middagploeg alleen had gelaten, en dat de kans nu verkeken was, om nog diezelfde dag terug te reizen. Wat kon er in godsnaam aan de hand wezen, dat het goeie dier, dat net op die slungel van een man verzot was geraakt, onder water bleef, en haar twee kinderen aan hun lot overliet? Dan was het ernstiger dan ze gedacht had. Dan was er al zijn leven
138