bij op had gezet.
‘Verdorie, heb jij dat allemaal getekend?’ vroeg Keesebees, op het ledikant wippend, en de vochtige tekeningen berui-kend. ‘Fijn hè?’ Daar zetten me overal lijssies om, as ze me vader los hebben gelaten. Druk er nou geen vette nagels in. Ik heb me toch niet in het zweet zitten tekenen, om het do ** jou te laten bederven? Raai es, wie dat is, Kees?’ - Even groenden de poeze-ogen op het portret toe, toen zei hij: ‘da’s je moeder.’
‘Precies, dat is me lieve moeder, met haar mooie haar, enne d’r zondagse japon, en wie is datte? Gus, kijk dan beter, en loer niet telkes naar het plafon! Nou?’ - ‘Dat is je tante, die tegen mijn bazin heb gezeid: Vullisbakkeras. - Ja, dat is zeker je tante Toos.’
‘Gerajen! Me tante met d’r blommetjeshoed, die een verschrikkelijk vies woord heb gezegd. En datte?’ - ‘Dat is makkelijk genoeg, nou-ou-ou! Dat is mefrou-ouw-ouw van de overzij, die d’r haar heb geverfd, omdat ze bang is dat de dieven d’r zallen herkennen.’
‘Enne wie is dat?’ vroeg hij met proesthikking is zijn stem omdat de kater al grijnsde voor hij het helemaal had gezien.
‘Dat is verdorie; mijn vrou-ou-ou-ouw; met haren op haar kin en met d’r laatste tand!’ grinnikte Keesebees; en hoe langer hij keek; hoe meer hij moest lachen en hoe dikkere tranen er uit zijn ogen glipperden.
‘As je nou effe blijft wachten; Kees; zal ik jou ernaast zetten. Dat is je snor, één haar; en nog één haar - en nou je oogjes...’
‘Dat benne geen ogen,’ zei Keesebees; die het gescharrel van het potlood over het papier niet goed hebben kon, en telkens zijn molletjespoot uitstak om mee te doen. ‘Dat benne geen ogen! Snert, hoor!’ - ‘Jij ken makkelijk snert zeggen,’ zei Koertje. ‘Probeer het dan zelf! Er is niks zo moeilijk as ogen - eerst het kringetje van buiten met steeknaaldjes er omheen, en dan het kringetje van binnen, en dan weer haarbossies erboven. Een staart is er in een wip. Kijk maar: daar komt hij. Maar ogen, en zulleke rare ogen as die van jou... Je heb niet eens wimpers, niet eens wenkbrauwen.’ - ‘Ik zou met die soepogen van jou niet willen oversteken,’ zei de kater van de turfschipper. ‘En nou
137