Droomkoninkje

Titel
Droomkoninkje

Jaar
1924

Druk
1983

Overig
9ed 1983

Pagina's
258



de zuchting van de ramen, heen en weer wuierden, soms met een floep strakweg naar het ledikant je toe, zat hij overeind, om te kijken wie het deed en toen de grote verj aarsballon, waarmee hij verder niet gespeeld had omdat het bellenblazen hem helemaal in beslag had genomen, ineens langs het geschilferd plafond vooruitschuurde, en er in de eindeloos groter-lijkende kamer, het kluk-kluk-kluk van de gespannen ballonhuid tegen de witkalk weerklonk, kreeg hij er kip-pevel van. Maar lang bleef hij niet alleen. Eerst flapperde de witjesvlinder, die van tantes blommetjeshoed verjaagd, een schuilplekje tussen de spiegel en de schoorsteen had gevonden, dicht in zijn buurt, of ze wilde zeggen: stommerd, er doet je immers niemand wat - en toen was er het avontuur van toch een diefsmeerpijp, die zo zachtjes de trap op-loederde, dat hij de slaapkamer al binnen was voor je hem in de smiezen kreeg. ‘Dag Keesebees,’ babbelde hij, blij hardop te kunnen praten. ‘Kom je stiekem de trap op, nou me tante de deur an heb laten staan? Heb het mirakel, waarna jij mot luisteren, de turfschipper vanmorgen toen moeder brood en melk ging halen, weer zo gepest?’ - ‘Nou-nou-nou-nou!’ knikte de tamme kater, maar toch niet helemaal met zijn gedachten bij het gesprek - want zijn maag was nog van streek van het vreten en slokken van gespuis, dat met de zuidenwind aan kwam gedreven - glazewassers, runderdazen, doomruggen, krakelingen, nonnetjes, zelfs nachtpauwoogjes bij de vleet, als de lamp brandde en het raam openstond - en nou zat hem het koolwitje, op de lam-pekap neergestreken, weer te judassen - je hield het niet uit op die manier. ‘Laat dat bleke scharminkel met rust, Keesebees. Hij doet je niks, en als hij je keelgat binnenvliegt ken je van het hoesten je lol op.’ - ‘Laat mijn nou begaan,’ zei de kater. ‘Als ie op de fopspeen van je zussie gaat zitten - hij ruikt natuurlijk de suiker, bennen we bakkeran. Lusten doe ik die krengen niet eens, maar ze motten bij de blommen wezen, en niet erges naar binnendringen.’ Tegelijk nam hij zijn sprong, haast tegen de lampekap op, maar de witjesvlinder zei: mis poes, en of Keesebees zijn groene oogjes as fuiken openspalkte, en of hij liep te roepen: ‘Gau-au-au-auw!’ - het koolwitje verdraaide het om opgepeuzeld te worden en zat boven bij de kluk-kluk-kende ballon, zonder een vin te verroeren, maar met ogen of hij er een bril

136

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.